ECLI:NL:PHR:2009:BA3304
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over accijns naheffingsaanslagen bij levering gasolie zonder geldige bunkervergunning
Belanghebbende, vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats (AGP), leverde gasolie aan het schip "A" dat eigendom was van B. Voor dit schip was geen geldige bunkervergunning verstrekt, terwijl B wel bunkerverklaringen aan belanghebbende had afgegeven. De gasolie werd geleverd onder vrijstelling van accijns, maar de Belastingdienst legde naheffingsaanslagen op aan zowel belanghebbende als aan B wegens het ontbreken van een geldige vergunning en het onjuiste gebruik van de gasolie.
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd omdat de formele en materiële voorwaarden voor de vrijstelling niet waren nageleefd. Belanghebbende stelde in cassatie dat de toepassing van de vrijstelling te strikt was en dat de cumulatieve voorwaarden in strijd waren met Europese richtlijnen.
De Hoge Raad overwoog dat de accijns een objectieve belasting is en dat de wetgever terecht cumulatieve formele en materiële voorwaarden stelt voor de vrijstelling. De inspecteur moet aannemelijk maken dat de vrijstelling niet van toepassing is als een AGP-houder zich beroept op een geldige vergunning en bunkerverklaringen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het niet is toegestaan om gelijktijdig naheffingsaanslagen op te leggen aan zowel de AGP-houder als de afnemer voor dezelfde accijnsgoederen. In dit geval was de naheffingsaanslag aan B onherroepelijk, waardoor de naheffingsaanslag aan belanghebbende moet worden vernietigd.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof en de naheffingsaanslag aan belanghebbende.
Uitkomst: De naheffingsaanslag aan belanghebbende wordt vernietigd omdat gelijktijdige naheffingsaanslagen aan belanghebbende en haar afnemer niet zijn toegestaan.