ECLI:NL:PHR:2009:BA4664
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Jaarwinstbepaling bij cessie om niet van toekomstige huurtermijnen en redelijke wetstoepassing
De zaak betreft de fiscale behandeling van de cessie om niet van toekomstige huurtermijnen door een aandeelhouder aan haar vennootschap. De belanghebbende had de contante waarde van de huurtermijnen geactiveerd als actiefpost en jaarlijks afgeschreven, terwijl de Inspecteur de afschrijving in 1998 en 1999 niet accepteerde. Het geschil spitst zich toe op de vraag in welk jaar de winst uit de cessie moet worden genomen: in het cessiejaar 1995 of gespreid over de jaren van ontvangst van de huurtermijnen.
Het Hof had geoordeeld dat de cessie om niet in 1995 geen winst opleverde maar een informele kapitaalstorting was, waardoor de afschrijving op de geactiveerde huurtermijnen niet aftrekbaar was. De belanghebbende stelde dat de contante waarde van de huurtermijnen in 1995 tot de winst had moeten worden gerekend en dat het uitstel van winstneming in strijd was met goed koopmansgebruik en het realiteitsbeginsel.
De Hoge Raad bevestigt dat goed koopmansgebruik vereist dat het voordeel uit de cessie om niet in het cessiejaar als winst wordt genomen, omdat er geen tegenprestatie of verplichting tegenover staat. De cessie levert een waarde op die direct in 1995 moet worden verantwoord. Het Hof had ten onrechte de cessie als informele kapitaalstorting aangemerkt en de winstneming uitgesteld. Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraken van het Hof en de Inspecteur worden vernietigd en de aanslagen worden verminderd.
Uitkomst: De winst uit de cessie om niet van toekomstige huurtermijnen moet in het cessiejaar worden genomen en niet gespreid over latere jaren.