1 Belastingdienst/P.
2 Hof 's-Hertogenbosch, 4 januari 2007, nr. 04/00683, LJN: BA 2455.
3 Hoge Raad, 18 december 1991, nr. 27128, BNB 1992/183.
4 De redactie van de Vakstudie Nieuws is van mening dat een aanvulling van een aangifte inkomstenbelasting die is binnengekomen voordat het belastbare inkomen is vastgesteld als onderdeel van de aangifte wordt behandeld, VN 1997/734, pt. 10, onderdeel 2 van de aantekening.
5 Eerste Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 529 en 29 531, C, p. 10.
6 Hoge Raad, 10 januari 1990, nr. 26235, BNB 1990/258, Hoge Raad, 2 december 1992, nr. 27590, BNB 1993/91 en Hoge Raad, 15 april 1998, nr. 33245, BNB 1998/186, zie ook R.J Koopman, Algemeen belastingrecht, fiscaal commentaar, p. 279, artikel 23, onderdeel 6.
7 Tariefcommissie, 27 april 1953, nr. 6767 O, BNB 1953/240.
8 J.P. Scheltens, De algemene wet inzake rijksbelastingen, losbladige editie, p. 618-620.
9 M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, p. 242-243.
10 Hoge Raad, 18 december 1991, nr. 27128, BNB 1992/183.
11 Reugebrink/Van Hilten, Omzetbelasting, negende druk, p.229,
12 Hoge Raad, 18 december 1991, nr. 27128, BNB 1992/183.
13 M.W.C. Feteris, Heffing van belasting door middel van betaling op aangifte, p. 246 en 247.
14 Voetnoot M.W.C. Feteris: A-G Van Soest betrekt dit aspect ook in zijn overwegingen (punt 2.25 van zijn conclusie bij het arrest). Hof Den Haag 21 november 2003, V-N 2004/18.1.1, trok de lijn van het arrest dan ook niet door in een geval waarin geen procedure-afspraken waren gemaakt. De Blieck e.a. 2004, blz. 249, noot 13, lijken daarentegen wel algemene conclusies uit dit arrest te trekken.
15 Voetnoot M.W.C. Feteris: A-G Van Soest acht een andere benadering ongerijmd, zie punt 2.20 van zijn conclusie bij het arrest.
16 Hof 's-Hertogenbosch, 11 augustus 2006, nr. 01/01844, LJN: AZ8215. Overigens heeft het Hof 's-Hertogenbosch op 11 augustus 2006 (nr. 03/01205, LJN: AZ 8216) nog een andere uitspraak inzake ontvankelijkheid gewezen. Die uitspraak heeft geleid tot kamervragen van het Tweede Kamerlid Dézentje Hamming-Bluemink. De Staatssecretaris heeft deze vragen op 23 april 2007 beantwoord (nr. DGB2007-1221), VN 2007/21.4. Tegen die uitspraak is cassatie ingesteld onder nummer 43565. Het gaat in die zaak om een per saldo over het hele jaar positieve aangever, die in maart van het volgende jaar per brief een gedeelte van het voldane bedrag terugvraagt. Volgens het hof moet per tijdvak bezwaar worden gemaakt. Het hof acht het bezwaar niet-ontvankelijk.
17 Gelet op rechtsoverweging 4.4 doelt het Hof op dit rechtsoordeel (en niet op de toetsing in dezelfde uitspraak of er wellicht sprake is van een voortijdig bezwaar).
18 In overweging 4.4 geeft het Hof aan dat belanghebbende niet tegen de aangifte in bezwaar kon gaan. Dit is volgens rechtsoverweging 4.5 eerste volzin, niet bezwaarlijk. Kennelijk dienen de overige argumenten (belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 31 augustus 2002 en het oogpunt van de proceseconomie) in 4.5 alleen om te betogen dat de gang van zaken "in het bijzonder niet bezwaarlijk is". Ook al zouden deze twee argumenten geen hout snijden, dan nog is er volgens het Hof kennelijk een situatie waarin het gegeven dat er niet tegen de aangifte in bezwaar kan worden gekomen niet bezwaarlijk is.
19 Motivering van het beroepschrift bij het Hof, pagina 3, verweerschrift van de Inspecteur, p. 1.
20 Motivering van het beroepschrift bij het Hof, pagina 3, verweerschrift van de Inspecteur, p. 1.
21 Motivering van het beroepschrift bij het Hof, pagina 3, verweerschrift van de Inspecteur, p. 1en 2.
22 Brief van belanghebbende aan de Inspecteur van 23 januari 2003, p. 5.
23 Brief van belanghebbende aan de Inspecteur van 23 januari 2003, p. 5.
24 HvJ EG, 14 juni 2005, P. Charles-T.S. Charles-Tijmens, nr. C-434/03, BNB 2005/284.
25 Zoals ik hierna toelicht is het vraagstuk alleen van belang indien het feitelijke en rechtstreekse verband tussen de kosten van het stadskantoor en de vrijgestelde prestaties zou ontbreken.
26 Uit het proces-verbaal van de zitting (p. 2) blijkt dat volgens belanghebbende het volledige bedrag van de gevraagde teruggaaf ziet op rekeningen die in juli 2002 bij belanghebbende zijn binnengekomen. De Inspecteur heeft dit niet weersproken, zodat ik ervan uitga dat in de gevraagde aftrek geen omzetbelasting begrepen zit die betrekking heeft op de niet in aftrek gebrachte facturen uit eerdere tijdvakken.
27 HvJ EG, 2 juni 2005, Waterschap Zeeuws Vlaanderen, nr. C-378/02, VN 2005/30.17.