ECLI:NL:PHR:2009:BC4295
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over landbouwvrijstelling bij waardestijging bouwgrond en fiscale bestemmingswijziging
Deze zaak betreft de vraag of de waardestijging van een perceel bouwgrond, onttrokken aan het landbouwbedrijf voor de bouw van een woning, onder de landbouwvrijstelling valt of dat sprake is van belastbare fiscale bestemmingswijzigingswinst.
De belanghebbende had een perceel gekocht met een bouwkop, dat hij gebruikte voor zijn boomkwekerij. In 1998 werd een deel van dit perceel onttrokken aan het bedrijfsvermogen voor de bouw van een privéwoning. De Inspecteur stelde dat het verschil tussen de waarde van de grond als bouwgrond en de waarde bij aankoop als cultuurgrond belastbaar was als bestemmingswijzigingswinst.
Het hof Amsterdam oordeelde dat de bouwkop van meet af aan als bouwgrond was bestemd en dat de waardestijging daarom geen verband hield met de fiscale bestemmingswijziging in 1998, waardoor de landbouwvrijstelling van toepassing was. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat de bouw van een woning op landbouwgrond een fiscale bestemmingswijziging inhoudt en dat de waardestijging die daarmee samenhangt niet onder de landbouwvrijstelling valt. Het hof had echter onvoldoende onderzocht of de waardestijging gesplitst moest worden in een vrijgesteld deel en een belast deel. De zaak wordt daarom vernietigd en verwezen voor nader onderzoek.
De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van jurisprudentie en wetsgeschiedenis omtrent de landbouwvrijstelling, fiscale bestemmingswijziging en waardebepaling van landbouwgrond versus bouwgrond, waarbij ook de verhouding tussen moment van bestemmingswijziging en moment van realisatie centraal staat.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het hofarrest vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek.