1 Hof Amsterdam 9 januari 2006, zaaknummer 05/00964, NTFR 2006/274 en V-N 2006/33.2.6.
2 TK, vergaderjaar 1984-1985, 18915, nrs. 1-3, blz. 8.
3 TK, vergaderjaar 1984-1985, 18915, nrs. 1-3, blz. 8. Zie verder: TK, vergaderjaar 1984-1985, 18915, nr. 5, blz. 5: "(...) Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet (...) gaat het om de situaties waarin de grond voortaan buiten het kader van een landbouwbedrijf zal worden aangewend. (...)"
4 In dit arrest werd ten aanzien van de ondergrond van de overige gebouwen die naar privé overgingen wel een bestemmingswijziging aangenomen.
5 Noot in BNB 2000/109.
6 HR BNB 1997/236, r.o. 3.8.
7 HR BNB 1997/236, r.o. 3.8.
8 Zie voorts de noten van Niessen in BNB 1996/311 (onderdeel "De interne bestemmingswijziging") en BNB 1997/236.
9 Die redactie schrijft in haar aantekening in 2006/17.14 over de '7 mei arresten' (HR BNB 2004/335-338):
"De bij de verkoop of overbrenging naar het privé-vermogen gerealiseerde waardestijging van de grond die is ontstaan door de bouw van de bedrijfswoning op tot het landbouwbedrijf behorende grond, wordt aangemerkt als een belaste bestemmingswijzigingswinst die derhalve niet onder de landbouwvrijstelling valt. In zijn besluit van 8 maart 2006 acht de Staatssecretaris van Financiën die arresten evenzeer van toepassing op de situatie dat de woning met ondergrond nog steeds tot het ondernemingsvermogen behoort en de realisatie van de bestemmingswijzigingswinst op een later moment dan de gewijzigde aanwending plaatsvindt. In onze aantekening in V-N 2004/27.14 kwamen wij tot dezelfde conclusie."
10 Vgl. HR 29 januari 1997, nr. 31938, BNB 1997/104 (r.o. 3.9).
11 V-N 2004/27.14. Zie ten aanzien van de compartimentering indien het moment van winstrealisatie niet samenvalt met dat van de bestemmingswijziging: Aardema, noot in BNB 2004/338. Naar zijn mening is ook de waardestijging na bestemmingswijziging belast.
12 Zie S.F.J.J. Schenk en P.L.F. Seegers, De landbouwvrijstelling, Deventer 2007, blz. 105. De Staatssecretaris is van mening (Besluit van 8 maart 2006, nr. CPP2005/3338M, BNB 2006/197) "(...) dat het standpunt dat het perceel niet meer in het kader van een landbouwbedrijf wordt aangewend, eveneens heeft te gelden voor in het verleden gebouwde woningen die nog steeds tot het ondernemingsvermogen behoren. Immers, niet goed valt in te zien dat de ondergrond van een nog te bouwen woning niet meer in het kader van een landbouwbedrijf wordt aangewend en die van een bestaande woning wel (...)".
13 S.F.J.J. Schenk en P.L.F. Seegers, t.a.p., blz. 36. Zie verder P. de Boer en M.H.C. Ruijschop, Aardverschuiving in de landbouwvrijstelling, Een beschouwing over bestemmingswijziging en bestemmingswijzigingswinst, WFR 1997/883:
"(...) Tot nu toe gingen zowel de belastingadviseurs als de Belastingdienst ervan uit dat het verschil tussen de waarde van de ondergrond als drager van de agrarische tweede woning en de waarde als cultuurgrond c.q. erfperceel onder de landbouwvrijstelling valt. Hoewel de Hoge Raad het arrest van 7 mei (BNB 1997/236;PJW) wijst in een specifieke situatie, lezen wij in rechtsoverweging 3.8 een hieraan tegengestelde opvatting. Het verschil tussen de waarde als ondergrond van de agrarische woning en de WEVAB als cultuurgrond of erfperceel is kennelijk een waardeverandering als gevolg van een bestemmingswijziging. Bij de bepaling van de waarde in de nieuwe bestemming moet enerzijds rekening worden gehouden met de bestemming als agrarische bedrijfswoning en anderzijds met de mogelijkheid dat die bestemming niet zal worden gehandhaafd, met inachtneming van de kans op afwijkende bestemming (lees: verkoop aan particulieren) en de termijn waarop die zich waarschijnlijk zal voordoen. De inspecteur zal een hogere waarde dan de waarde als agrarisch bouwblok aannemelijk moeten maken. Dit lijkt in de meeste gevallen geen eenvoudige taak en zal dan ook van taxateurs wederom het nodige vragen. (...)"
14 Vgl. S.F.J.J. Schenk en P.L.F. Seegers, t.a.p., blz. 35.
15 Dit beleid is niet van toepassing indien cultuurgrond wordt onttrokken voor het (in privé) bouwen van een woning.
16 Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 27209, nr. 3 (MvT), blz. 25.
17 Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27209, nr. 6 (NnvhV), blz. 66 en 67. Zie verder het verworpen amendement van het lid Reitsma dat voortzetting van het oude regime van de landbouwvrijstelling ten aanzien van de ondergrond van de bedrijfswoning beoogde (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27209, nr. 10).
18 Naar de letter van het Besluit alleen de gevallen van overbrenging van woning en grond naar privé in verband met de wijziging van de landbouwvrijstelling per 27 juni 2000.
19 Zie ook onderdeel 4 (III) van de uitspraak van het Hof Amsterdam.