ECLI:NL:PHR:2009:BD0200
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over samenloop van verzuim- en vergrijpboete en redelijke termijn in belastingrecht
In deze zaak stond centraal of een vergrijpboete terecht was opgelegd nadat eerder een verzuimboete was opgelegd voor dezelfde gedraging, namelijk het niet tijdig doen van aangifte en het niet betalen van loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen over het vierde kwartaal van 2000.
De Inspecteur had eerst een systeemaanslag met verzuimboetes opgelegd wegens niet doen van aangifte en niet betalen, waarna later een naheffingsaanslag met een vergrijpboete werd opgelegd wegens het niet betalen van een hoger bedrag. Belanghebbende voerde aan dat hiermee het ne bis in idem-beginsel was geschonden.
De Hoge Raad oordeelde dat de verzuimboete en vergrijpboete niet voor hetzelfde feit konden worden opgelegd als het gaat om dezelfde gedraging, omdat de wetgever bepaalt dat de Inspecteur moet kiezen tussen een verzuim- of vergrijpboete. Omdat de Inspecteur eerst een verzuimboete had opgelegd, was het opleggen van de vergrijpboete onrechtmatig en moest deze worden vernietigd.
Daarnaast werd beoordeeld wanneer de redelijke termijn voor het opleggen van een boete begint te lopen. De Hoge Raad stelde dat dit moment aanvangt bij de formele kennisgeving van de boete-oplegging, niet bij een eerdere brief die slechts een verzoek om informatie bevatte. Hierdoor was geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep gegrond moet worden verklaard en de vergrijpboete vernietigd, met een overweging tot vermindering van de boete indien het arrest anders zou uitvallen.
Uitkomst: De vergrijpboete wordt vernietigd omdat deze onrechtmatig naast een verzuimboete voor hetzelfde feit is opgelegd.