ECLI:NL:PHR:2009:BD3565
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vergrijpboete bij formele rechtskracht van navorderingsaanslag in belastingrecht
In deze zaak staat de beoordeling van een vergrijpboete centraal die is opgelegd naar aanleiding van een navorderingsaanslag die formele rechtskracht heeft verkregen. De belanghebbende, een vennootschap, had bezwaar gemaakt tegen zowel de navorderingsaanslag als de boetebeschikking, maar het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde echter dat het bezwaar tegen de boetebeschikking wel ontvankelijk was en vernietigde de boetebeschikking. Het hof stelde vast dat het aanslagbiljet vermoedelijk medio december 2004 was ontvangen en dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Tevens concludeerde het hof dat er geen sprake was van kwade trouw bij de belanghebbende.
De Hoge Raad bevestigt dat de rechter bij de beoordeling van een bestuurlijke boete een volledige toetsing moet uitvoeren, ook als de navorderingsaanslag formele rechtskracht heeft. Dit betekent dat de rechter ook de grondslag van de boete moet onderzoeken en niet klakkeloos mag uitgaan van de formele vaststelling van de belasting. Het hof heeft terecht geoordeeld dat er geen kwade trouw was en dat de boetebeschikking vernietigd moet worden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt vernietiging van de boetebeschikking wegens ontbreken van kwade trouw en volledige toetsing van de boete ondanks formele rechtskracht van de navorderingsaanslag.