ECLI:NL:PHR:2009:BD3566
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toerekening van kwade trouw van gemachtigde aan belastingplichtige bij navordering enkelvoudige belasting
In deze zaak gaat het om navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen voor de jaren 1999, 2000 en 2002, waarbij fouten in de belastingaangiften werden vastgesteld. De belanghebbende, een BV met C als directeur, had de aangiften vennootschapsbelasting door D laten verzorgen, die op advies van E was ingeschakeld voor de geruisloze inbreng van een eenmanszaak in de BV. Na dossieronderzoek kwamen fouten aan het licht, waarop de inspecteur navordering en boetes oplegde. De rechtbank oordeelde dat navordering mogelijk was wegens kwade trouw van de gemachtigde D, die aan de belanghebbende werd toegerekend.
Het Hof Amsterdam vernietigde deze beslissingen, stellende dat de belanghebbende niet te kwader trouw was en dat de inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat de belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans op onjuiste aangiften had aanvaard of dat zij onvoldoende zorg had betracht bij de keuze en controle van haar gemachtigde. Het Hof vond dat het inschakelen van E door D niet automatisch duidde op ondeskundigheid of kwade trouw.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte geen kwade trouw van de gemachtigde aan de belanghebbende had toegerekend, omdat navordering van enkelvoudige belasting geen strafvervolging is en de onschuldpresumptie van het EVRM niet ter zake doet. De Hoge Raad bevestigt dat kwade trouw van de belastingplichtige zelf vereist is voor navordering zonder nieuw feit, en dat kwade trouw van de gemachtigde slechts kan worden toegerekend indien de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans op onjuiste aangifte aanvaardde of onvoldoende toezicht hield. De Hoge Raad benadrukt terughoudendheid bij toerekening van subjectieve delictsbestanddelen van de gemachtigde aan de belastingplichtige en bevestigt dat de belanghebbende in deze zaak niet hoefde te twijfelen aan de verrichtingen van haar gemachtigde.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat kwade trouw van de gemachtigde niet zonder meer aan de belastingplichtige kan worden toegerekend bij navordering zonder nieuw feit.