ECLI:NL:PHR:2009:BD4432
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toepassing artikel 220 lid 2 onder b CDW bij navordering douanerechten
Belanghebbende heeft in 2001 goederen verkeerd ingedeeld onder een tariefpost voor het vrije verkeer. De douane aanvaardde de aangiften zonder fysieke controle, terwijl soortgelijke zendingen wel werden gecontroleerd zonder correcties. Pas in 2004 werd de verkeerde indeling ontdekt en navordering ingesteld.
Het Hof oordeelde dat artikel 220 lid 2 onder Pro b van het CDW navordering niet in de weg stond omdat niet voldaan was aan de cumulatieve voorwaarden: er was geen vergissing van de douaneautoriteiten, de belanghebbende kon de vergissing redelijkerwijs ontdekken en had niet aan alle voorschriften voldaan, met name door onvoldoende nauwkeurige omschrijving van de goederen.
De A-G concludeerde dat de douane geen vergissing had gemaakt omdat de onjuiste tariefindeling bij vergelijking van omschrijving en tariefpost zichtbaar was. Ook het feit dat soortgelijke zendingen wel werden gecontroleerd, leidde niet tot een ander oordeel. Verder is volgens de A-G geen ruimte voor een aanvullend nationaal vertrouwensbeginsel naast de regeling in artikel 220 lid 2 onder Pro b CDW.
De Hoge Raad bevestigt dat navordering alleen achterwege blijft indien aan alle drie de voorwaarden van artikel 220 lid 2 onder Pro b CDW is voldaan: een vergissing van de douaneautoriteiten, die de belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken en waarbij de belanghebbende te goeder trouw was en aan alle voorschriften inzake de douaneaangifte heeft voldaan. De belanghebbende had niet voldaan aan de laatste voorwaarde.
De uitspraak benadrukt dat het douanerecht een exclusieve Europese grondslag heeft en dat nationale beginselen zoals het vertrouwensbeginsel geen aanvullende ruimte bieden bij navordering van douanerechten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat navordering van douanerechten terecht is omdat niet is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 220 lid 2 onder b CDW.