ECLI:NL:PHR:2009:BF0837
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over uitleveringsverzoek op grond van VN-Verdrag tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad
In deze zaak ging het om een uitleveringsverzoek van de Verenigde Arabische Emiraten betreffende een gewapende overval op een juwelierswinkel in Dubai, gepleegd op 15 april 2007. De Rechtbank Haarlem had het verzoek afgewezen omdat zij oordeelde dat er geen vermoeden van schuld bestond jegens de opgeëiste persoon voor het specifieke feit.
De Hoge Raad onderzocht de toepasselijkheid van het United Nations Convention against Transnational Organized Crime en de uitleveringsbepalingen daarin, met name artikel 16.5. De Hoge Raad benadrukte dat het Verdrag als wettelijke basis voor uitlevering geldt en dat het Nederlandse uitleveringsrecht geen vereiste stelt dat uit de stukken een vermoeden van schuld moet blijken.
De Hoge Raad stelde vast dat de Rechtbank ten onrechte het ontbreken van een vermoeden van schuld als reden had genomen om uitlevering te weigeren. Het Verdrag vereist dat sprake is van een ernstig misdrijf met grensoverschrijdend karakter en betrokkenheid van een criminele organisatie, maar niet dat de aangezochte rechter een inhoudelijke beoordeling van schuld maakt.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis en bepaalde dat de zaak op een nader te bepalen zitting behandeld zal worden, waarbij de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen. Hiermee wordt het uitleveringsverzoek inhoudelijk in behandeling genomen conform de bepalingen van het Verdrag en het Nederlandse uitleveringsrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de afwijzing van het uitleveringsverzoek en bepaalt dat de zaak inhoudelijk behandeld zal worden.