1 Rechtbank Haarlem 17 januari 2008, nr. 06/6717, V-N 2008/27.1.6, NTFR 2008/452.
2 Mijn voetnoot: HvJ EG 13 december 2005, zaak C-446/03 (Marks & Spencer II), na conclusie Poiares Maduro, BNB 2006/72, noot Wattel.
3 Conclusie van 14 februari 2008, zaak C-414/06 (Lidl Belgium), V-N 2008/16.9.
4 HvJ EG 12 september 2006, zaak C-196/04 (Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas), na conclusie Léger, BNB 2007/54, met noot Wattel.
5 Zie Redactie Vakstudienieuws in V-N 2008/34.14, de aantekening van Egelie in NTFR 2008/1444, B.J. Kiekebeld en D.J. Smit, Fiscale eenheid (weer) over de grenzen?, NTFR Beschouwingen 2008/41, en Q.W.J.C. Kok, De grensoverschrijdende fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, WFR 2008/795.
6 HvJ EG 15 mei 2008, C-414/06 (Lidl Belgium), na conclusie Sharpston, V-N 2008/25.16, met aantekening redactie, NTFR 2008/1030, met commentaar Egelie, FED 2008/62, met aantekening Thomas, IStR 11/2008, blz. 400, mit Anmerkungen von Englisch und De Weerth.
7 HvJ EG 6 december 2007, zaak C-298/05 (Columbus Container Services), na conclusie Mengozzi, FED 2008/35, met noot Smit.
8 HvJ EG 28 februari 2008, zaak C-293/06 (Deutsche Shell GmbH), na conclusie Sharpston, NJ 2008, 293, met noot Mok.
9 HR 17 februari 2006, nr. 42.127, na conclusie Wattel, BNB 2007/14, met noot De Vries.
10 Zie voor de procedurele verschillen tussen het oude en het nieuwe regime de onderdelen 5 en 6 van mijn conclusie voor HR 17 februari 2006, nr. 42.127, BNB 2007/14, met noot De Vries.
11 Aan de aangifte (bijlage 4 bij verweerschrift voor de Rechtbank) ontleen ik dat de aangifte op 1 december 2004 is ingediend, zodat ook een ingangdatum van de voeging op enig ander tijdstip in het jaar 2003 buiten het bereik ligt.
12 HvJ EG 13 maart 2007, zaak C-524/04 (Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation), na conclusie Geelhoed, NJ 2007, 290, met noot Mok.
13 Zie over de zaak Test Claimants in the Thin Cap GLO en het beginsel van effectiviteit van EG-recht onderdeel 7 van mijn conclusie van 10 juni 2008 (NTFR 2008/1287) in de bij u aanhangige zaak met nummer 07/12314.
14 Wet van 11 december 2002, Stb. 618.
15 Besluit van 12 mei 2004, nr. CPP2004/634M, V-N 2004/28.16.
16 Zie bijlagen 6 en 7 bij het verweerschrift voor de Rechtbank.
17 Kamerstukken I, 2001-2002, 26 854, nr. 45d (MvA), p. 5-6: "De leden van de fractie van het CDA vragen op welk tijdstip een verzoek voor voortgezette toepassing van het oude regime uiterlijk moet zijn gedaan.
Dit verzoek dient uiterlijk te worden gedaan bij de aangifte over het eerste boekjaar dat aanvangt op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet." In de oorspronkelijk voorgestelde wet was overigens expliciet opgenomen dat het verzoek, evenals zekere andere verzoeken, moest worden gedaan gelijktijdig met de aangifte over het eerste van de twee boekjaren (voorgestelde art. IV(4) jo (6) als opgenomen in Kamerstukken II, 1999-2000, 26 854, nr. 2 (VvW), p. 13-14; voor de toelichting Kamerstukken II, 1999-2000, 26 854, nr. 3 (MvT), p. 26-27 en 53). Bij nota van wijziging is dit voorschrift geschrapt, omdat de Staatsecretaris wilde tegemoetkomen aan de wens van het parlement dat, in verband met tijdige zekerheid, de verschillende verzoeken ook eerder konden worden gedaan dan pas bij het indienen van de aangifte over het eerste boekjaar (Kamerstukken II, 2000-2001, 26 854, nr. 7 (NvW), p. 10 en 23 en Kamerstukken II, 2000-2001, 26 854, nr. 6 (NnavhV), p. 42).
18 Zie Opgaaf, onderdeel 1z5, van de aangifte vennootschapsbelasting 2003 (bijlage 4 bij het verweerschrift voor de Rechtbank).
19 P.-v. van de zitting van 8 juni 2007, p. 1-2. Zie over belanghebbendes afzien van een verzoek om een voortzettingsbeschikking ook het verweerschrift van de Inspecteur voor de Rechtbank, p. 2 en 22.
20 Wel voorziet die wet in de mogelijkheid (zie art. IV(4) Wet van 11 december 2002, Stb. 618) zekerheid te verkrijgen of op het moment waarop de wet op de belastingplichtige van toepassing wordt, wordt voldaan aan de vestigingseis ex art. 15(3)(c). Aangezien de inspecteur op een dergelijk verzoek beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, lijkt ook hierin voor onze belanghebbende een (door haar niet gebruikte) rechtsingang te liggen.
21 Zie bijvoorbeeld HR 13 januari 2006, nr. 41.799, BNB 2007/87, met noot Van Weeghel.
22 Ook in haar aangifte vennootschapsbelasting 2003 (bijlage 4 bij het verweerschrift voor de Rechtbank) had de belanghebbende het standpunt ingenomen dat de fiscale eenheid niet was geëindigd; zie de opgaaf, onderdeel 1y1.
23 Zie daarover de bij het HvJ EG aanhangige zaak C-418/07, Société Papillon, waarin de A.-G. Kokott op 4 september 2008 heeft geconcludeerd. Die zaak werpt overigens geen licht op de vraag die ons bezighoudt. Zie onderdeel 7.21 hieronder.
24 HR 29 juni 1988, nr 24.738, na conclusie Verburg, BNB 1988/331, met noot Slot.
25 HR 13 november 1996, nr 31.008, na conclusie Van Soest, BNB 1998/47, met noot Van Raad.
26 Zie daarover ook onderdeel 6.20 van mijn conclusie van 4 juli 2007 in de inmiddels verwezen zaak 43.484 (C-337/08).
27 HvJ EG 18 juli 2007, zaak C-231/05 (Oy AA), na conclusie Kokott, NJ 2007, 584, met noot Mok.
28 Verweerschrift, p. 10-11. De Inspecteur heeft voor de Rechtbank een vergelijkbaar standpunt ingenomen (verweerschrift, p. 10 en 22).
29 Zie Terra/Wattel, European Tax Law, fiscale handboeken, Deventer: Kluwer, 2008, p. 727-733.
30 HvJ EG 13 april 2000, zaak C-251/98 (Baars), na conclusie Alber, BNB 2000/242, met noot Van Vijfeijken, r.o. 30.
31 HvJ EG 12 mei 1998, zaak C-336/96, (Gilly), na conclusie Colomer, BNB 1998/305, met noot Burgers, en HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03 (Van Hilten-Van der Heijden), na conclusie Léger, BNB 2006/194, met noot Van Vijfeijken.
32 HvJ EG 21 september 1999, zaak C-307/97 (Saint-Gobain), na conclusie Mischo, BNB 2000/75, met noot Burgers.
33 HvJ EG 12 december 2002, zaak C-385/00 (De Groot), na conclusie Léger, BNB 2003/182, met noot Meussen.
34 HvJ EG 18 september 2003, zaak C-168/01 (Bosal Holding), na conclusie Alber, BNB 2003/344, met noot Meussen.
35 HvJ EG 7 september 2006, zaak C-470/04 (N. v Inspecteur), na conclusie Kokott, BNB 2007/22, met noot Burgers.
36 HvJ EG 12 juli 2005, zaak C-403/03 (Egon Schempp), na conclusie Geelhoed, BNB 2005/342, met noot Meussen, en HvJ EG 6 december 2007, zaak C-298/05 (Columbus Container Services), na conclusie Mengozzi, FED 2008/35, met noot Smit.
37 HvJ EG 28 februari 2008, zaak C-293/06 (Deutsche Shell GmbH), na conclusie Sharpston, NJ 2008, 293, met noot Mok, V-N 2008/13.8, NTFR 2008/561, met aantekening Nijkeuter. Zie over dit arrest ook O.C.R. Marres, Territorialiteit, NTFR 2008/520, A.J.A Stevens, Het Shell-arrest: een tussenstand, NTFR-beschouwingen 2008/27, en M. Koerts, Deutsche Shell: dispariteit of belemmering van het vrije verkeer binnen de EG?, WFR 2008, p. 725-730.
38 HvJ EG 15 mei 2008, C-414/06 (Lidl Belgium), na conclusie Sharpston, V-N 2008/25.16, met aantekening redactie, NTFR 2008/1030, met commentaar Egelie, FED 2008/62, met aantekening Thomas, IStR 11/2008, blz. 400, mit Anmerkungen von Englisch und De Weerth.
39 Zie onderdeel 31 van de conclusie van 14 februari 2008 van A.-G. Sharpston in de zaak C-414/06 (Lidl Belgium), V-N 2008/16.9. Dat het Hof in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat het belastingverdrag tussen Duitsland en Luxemburg alleen objectvrijstelling en geen belastingvrijstelling (met grondslagvoorbehoud en inhaal) zou toestaan (waardoor latere inhaal niet mogelijk zou zijn), acht ik hoogst onaannemelijk, nu de A.-G. Sharpston het Hof er expliciet op gewezen heeft dat Duitsland tot 1999 onder zijn verdragen wél belastingvrijstelling met inhaal toepaste en daar slechts als gevolg van een interne wetswijziging mee opgehouden is. Ook uit het door de A.-G expliciet vermelde feit dat minstens vijf andere lidstaten belastingvrijstelling met inhaal toepassen en uit haar hele redenering dat de mogelijkheid van aftrek met inhaal meebrengt dat objectvrijstelling onevenredig is, volgt dat het Hof niet in die onjuiste veronderstelling verkeerd kan hebben. Ik merk op dat uit het officiële OESO-commentaar bij art. 23A OESO-Modelbelastingverdrag expliciet blijkt dat het verdrag niet in de weg staat aan inhaal (recapture).
40 Zie Terra/Wattel, European Tax Law, fiscale handboeken, Deventer: Kluwer, 2008, p. 727-733.
41 Zie Egelie, onderdeel 4, commentaar op HvJ EG 15 mei 2008, zaak C-414/06 (Lidl Belgium), na conclusie Sharpston, NTFR 2008/1030.
42 HvJ EG 6 december 2007, zaak C-298/05 (Columbus Container Services), na conclusie Mengozzi, FED 2008/35, met noot Smit, NTFR 2007/2295 met commentaar Egelie.
43 U zie ook de noot van Smit in FED 2008/35, onderdeel 4: Columbus Container heeft ook tot gevolg dat CFC-achtige wetgeving ingeval van een buitenlands filiaal zonder meer mag worden toegepast, terwijl dat volgens het arrest HvJ EG 12 september 2006, zaak C-196/04 (Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas), na conclusie Léger, BNB 2007/54, met noot Wattel, bij buitenlandse dochters alleen toegestaan is in flagrante misbruikgevallen.
44 Volledigheidshalve merk ik op dat - indien het verlies van de GmbH wél in aanmerking genomen zou moeten worden - nog geschil bestaat over de omvang van dat verlies (zie het verweerschrift in cassatie, p. 16).