1 Ontleend aan p. 2 van de in deze zaak in de eerste aanleg gegeven beschikking. Het hof verwijst daar - zij het impliciet - naar in rov. 1 van de in cassatie bestreden beschikking.
2 Over de juiste ingangsdatum bestaat enige onzekerheid. Voor deze cassatieprocedure doet niet terzake welke de ingangsdatum precies was.
3 17,5% van de omzet wanneer het gaat om cateringactiviteiten en een derde van de omzet terzake van kookcursussen/kooklessen.
4 De spelling van deze naam in de stukken is tamelijk onvast. Ik houd de door de kantonrechter in de eerste aanleg gebezigde spelling aan.
5 Ik vermeld daarvan een "bodemprocedure" bij de kantonrechter. Uit de stukken in deze zaak kan niet méér worden opgemaakt dan dat daarin, toen partijen daarvan voor het laatst melding maakten, nog geen enkele uitspraak was gedaan.
6 Dat gebeurde op 7 april 2006. Men zou kunnen veronderstellen dat [verweerder] zich hierbij - voorzichtigheidshalve - heeft laten leiden door de in art. 7:230a lid 1BW genoemde termijn van twee maanden.
7 De (beide) beslissingen uit de vorige instanties zijn gepubliceerd, in WR 2008, 46 en 47 respectievelijk.
8 De in cassatie bestreden beschikking dateert van 11 september 2007; het cassatierekest is op 27 november 2007 ingekomen.
9 Ik vermeld nog dat namens [verweerder] in cassatie om versnelde afhandeling van de zaak is verzocht. Dat verzoek is niet gehonoreerd omdat hier geen gronden voor versnelde afhandeling waren gebleken.
10 HR 10 september 1999, NJ 1999, 735, rov. 3.3.
11 Verweerschrift in cassatie p. 6, voetnoot 12, met verwijzing naar stellingen uit de feitelijke instanties.
12 Ik ga voorbij aan het meningsverschil van partijen over de vraag of hun rechtsverhouding "überhaupt" als huurverhouding mag worden gekwalificeerd. In het (cassatie)stadium waarin deze zaak nu verkeert, is dat geschilpunt "buiten beeld geraakt".
13 Hierbij neem ik veronderstellenderwijs aan dat de namens Mariënwaerdt gedane opzegging rechtsgevolg heeft gesorteerd. Uit de stukken blijkt dat (ook) over dit punt tussen partijen meningsverschil bestaat; en allicht doe ik geen voor dat meningsverschil relevante uitspraak. Het gaat mij er alleen om, het probleem te illustreren dat door de nieuwe formulering van art. 7:230a lid 5 BW is ontstaan.
14 In mijn bijdrage aan WR 2007, p. 172 e.v., alinea 6 sub a) heb ik deze (gewaagde) veronderstelling ook al geuit; zie ook mijn bijdrage in NJB 2003, p. 1940 e.v. (p. 1944, r.k.). Zie verder Rueb - Vrolijk - De Wijkerslooth-Vinke, De huurbepalingen verklaard, 2006, p. 68 - 69; De Jonge, Huurrecht, 2006, nr. 68 (p. 283).
15 Zie bijvoorbeeld HR 21 september 2007, RvdW 2007, 787, rov. 3.7.
16 De eigenlijke middelonderdelen worden in het cassatierekest met een feitelijk exposé ingeleid. Van de kant van [verweerder] is er, volgens mij met recht, op gewezen dat niet alle daar vermelde feiten in cassatie als vaststaand (of als "hypothetische feitelijke grondslag") kunnen worden aangemerkt. Ik heb hier echter geen feitelijke stellingen aangetroffen die voor de beoordeling van de middelen wezenlijk gewicht in de schaal leggen, en waarvoor geldt dat die ten onrechte als vaststaand worden gepresenteerd.
17 Althans: de inhoudelijk nagenoeg identieke regeling in de "voorloper" daarvan, de art. 28c t/m 28h van de Huurwet. Het "rechtsmiddelverbod" stond daar in art. 28g lid 2.
18 Af en toe komen in de rechtspraak ook andere bepalingen die hogere voorziening uitsluiten of beperken aan de orde.
19 Een goede algemene verhandeling over de "doorbrekingsleer" is te vinden in de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent voor HR 25 januari 2008, RvdW 2008, 153.
20 Aan HR 12 april 1996, NJ 1996, 450, rov. 3.4 ligt eveneens het (in die rov. niet uitgesproken) uitgangspunt ten grondslag, dat een geschil over de rechtsgeldigheid van een huuropzegging in het kader van de procedure van art. 28d Huurwet wél in hoger beroep kan worden uitgestreden (en dus buiten het bereik van het voor die wetsbepaling geldende "rechtsmiddelverbod" valt).
21 Van de huurrechtelijke rechtspraak betreft een wezenlijk deel de (voor)vraag, of het desbetreffende huurobject behoort tot de categorie waarvoor de ingeroepen wettelijke regeling geldt (of juist tot een andere categorie moet worden gerekend); zie bijvoorbeeld HR 30 september 2005, NJ 2006, 101, rov. 3.4; HR 20 februari 1998, NJ 1998, 740 m.nt. PAS, rov. 4.2 - 4.3; HR 10 maart 1995, NJ 1995, 550 m.nt. PAS, rov. 3.3.1 - 3.3.2; het al uitgebreid besproken geval van HR 1 juni 1984, NJ 1985, 31 m.nt. PAS (rov. 3.1), en HR 17 mei 1974, NJ 1975, 238 "O. ten aanzien van de eerste grond". Dit onderwerp verschilt zodanig van dat dat in de onderhavige zaak (in cassatie) aan de orde is, dat ik deze jurisprudentie als wat minder richtinggevend aanmerk dan de uitspraken die in de tekst werden aangehaald. Wél (reeds) geheel in lijn met de rechtspraak die mij vooral relevant toeschijnt, lijkt mij HR 4 februari 1949, NJ 1949, 151 m.nt. DJV ("O. omtrent het eerste middel").
22 Aldus, met uiteenlopende formuleringen: De Jonge, Huurrecht, 2006, nr. 68.1; Hovens, Het civiele hoger beroep, 2005, nr. 2.8.1.3 (inclusief de "Tussenconclusie"); Dam, TCR 2001, p. 26. Zie ook Huurrecht (losbl.), Palstra, art. 230a, aant. 123; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Hammerstein, 2008, art. 332, aant. 6; Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2006, nr. 156; Rueb - Vrolijk - De Wijkerslooth-Vinke, De huurbepalingen verklaard, 2006, p. 70; Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 72 en de uitvoerige analyse van Snijders - Wendels, Civiel appel, 2003, nrs. 315 - 321.
23 Ik wijs er opnieuw op dat partijen het oneens zijn over de vraag of hun rechtsverhouding als huur/verhuur is aan te merken, en daarmee over de vraag of art. 7:230a BW "überhaupt" op die rechtsverhouding toepasselijk kan zijn.
24 In zoverre lijkt mij dan ook niet juist, dat (zoals het hof heeft aangenomen) de opsomming van art. 7:230a lid 2 BW als limitatief is op te vatten. Afstand van het recht op ontruimingsbescherming (al maakt het in praktisch opzicht misschien nauwelijks verschil) is net weer iets anders dan uitdrukkelijke toestemming in de beëindiging van de huur. (De andere twee in art. 7:230a lid 2 BW genoemde mogelijkheden laat ik, nu die van geheel andere aard zijn, buiten beschouwing). Ik sluit trouwens ook niet uit dat er nog andere mogelijkheden zijn (voor de huurder) om het in art. 7:230a BW geregelde recht te verspelen (trefwoord: "rechtsverwerking", maar zie ook Pres. Utrecht 18 februari 1999, Prg. 1999 m.nt. Abas, rov. 4.8. Op rechtsverwerking was in deze zaak namens Mariënwaerdt wel (zij het terloops) een beroep gedaan, verweerschrift in appel, alinea 4.8 en 4.10). Als men, met mij, aanneemt dat de ruimte voor het aannemen van afstand van recht e.t.q. in dit verband een beperkte is, geldt overigens ook dat het niet zo makkelijk valt om casusposities te bedenken waarin een beroep op rechtsverwerking gegrond zou kunnen zijn.
25 Ik noem, om dit voorbeeld wat accent te geven, als bijkomende omstandigheid dat het "blijven zitten" van de huurder grote schade zou kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld doordat een omvangrijk bouwproject daardoor wordt "opgehouden".
26 Ter vermijding van ieder misverstand wijs ik er op dat het hier om verzonnen voorbeelden gaat, en dat ik niet suggereer dat deze verzonnen casusposities in dit geval aan de orde zijn.
27 HR 7 mei 1993, NJ 1993, 655 m.nt. HER, rov. 3.6.
28 Bijvoorbeeld in HR 26 november 1993, NJ 1994, 124, rov. 3. HR 22 november 1996, NJ 1997, 204 m.nt. PAS onder nr. 205, rov. 3.3 geeft dezelfde regel voor de procedure van art. 7A:1639w (oud) BW. Voor de overeenkomstige regels in "gewone" procedures (waarin geen "rechtsmiddelverbod" aan de orde is) wijs ik bijvoorbeeld op HR 1 februari 2002, NJ 2003, 655 m.nt. DA, rov. 3.4; HR 23 juni 2000, NJ 2001, 347 m.nt. WMK, rov. 3.5, verwijzend naar HR 16 april 1993, NJ 1993, 654 m.nt. HER onder nr. 655, rov. 3.2; HR 25 februari 2000, NJ 2000, 509 m.nt. HJS, rov. 3.5. Ik vermeld nog dat de hier in de rechtspraak gevolgde lijn enige kritiek in de literatuur ondervindt, zie bijvoorbeeld (in verschillende zin) Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nrs. 65 - 68 en Snijders - Wendels, Civiel appel, 2003, nrs. 259 en 263.