ECLI:NL:PHR:2009:BF8925
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid en toepasselijkheid van ontruimingsbescherming huurder volgens art. 7:230a BW
In deze zaak staat centraal de vraag of een huurder die het gehuurde heeft ontruimd nog een beroep kan doen op de ontruimingsbescherming van art. 7:230a BW. De huurder, [verweerder], had een overeenkomst met Mariënwaerdt voor het gebruik van bedrijfsruimte, die door Mariënwaerdt werd opgezegd. Na een afwijzing in kort geding en een niet-ontvankelijkverklaring door de kantonrechter, oordeelde het hof dat het beroep op ontruimingsbescherming niet werd uitgesloten door het feit dat de huurder de ruimte had ontruimd.
De Hoge Raad bevestigt dat het beschermingskarakter van art. 7:230a BW ertoe leidt dat het enkele feit van ontruiming niet leidt tot het verval van het recht op ontruimingsbescherming, tenzij sprake is van afstand van recht of rechtsverwerking. Ook wordt vastgesteld dat het appelverbod van art. 7:230a lid 8 BW doorbroken kan worden bij voorvragen over de toepasselijkheid van de regeling.
Verder bespreekt de Hoge Raad de problematiek rond de termijn van verlenging van de ontruimingstermijn en constateert een mogelijke 'slip of the pen' in de wetgeving, waarbij de huidige regeling een ongunstiger positie voor huurders kan opleveren dan de oude regeling. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling, waarbij de Hoge Raad zich uitspreekt over de relevante rechtsvragen omtrent de toepassing van art. 7:230a BW.
Uitkomst: Het beroep van de huurder op ontruimingsbescherming wordt niet uitgesloten door het feit dat hij het gehuurde heeft ontruimd; de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.