ECLI:NL:PHR:2009:BG3503

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01968/07
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 SvArt. 416 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken wettelijk cassatiemiddel

De verdachte was door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van opzetheling, medeplichtigheid aan een opiumwetdelict en medeplegen van valsheid in geschrift, en kreeg een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd. Het hof sprak hem vrij van andere tenlastegelegde feiten en wees de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

De verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Namens hem werd een schriftuur ingediend met een middel dat betoogde dat het hof ten onrechte had geoordeeld over medeplegen van opzetheling. Dit middel was echter feitelijk van aard en bevatte geen stellige en duidelijke klacht over een rechtsregel of vormverzuim.

Volgens vaste jurisprudentie moet een cassatiemiddel een duidelijke rechtsklacht bevatten. Het middel voldeed hier niet aan, omdat het feitelijke argumenten aanvoerde zonder een rechtsregel te betwisten. Hierdoor is niet voldaan aan de eisen van art. 437 lid 2 Sv Pro.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep, omdat het middel geen wettelijk cassatiemiddel is. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van een wettelijk cassatiemiddel.

Conclusie

Nr. 01968/07
Mr. Schipper
Zitting: 4 november 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 5 oktober 2006 vrijgesproken van de in het arrest genoemde bij inleidende dagvaarding aan hem tenlastegelegde feiten, en verder wegens 1. "medeplegen van opzetheling", 2. "opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen geplaagd", 3. "medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" en 4. "medeplegen van valsheid in geschrift" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de teruggave bevolen van de in het arrest genoemde inbeslaggenomen voorwerpen.
2. Deze zaak hangt samen met de zaak met nummer 01969/07, in welke ik vandaag eveneens concludeer.
3. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens de verdachte heeft mr. W.J.C. Piet, advocaat te Tilburg, een schriftuur naar de Hoge Raad gezonden.
4. Naar vaste jurisprudentie wordt slechts als middel van cassatie aangemerkt een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.
5. Naar mijn mening voldoet het in de schriftuur naar voren gebrachte 'middel' niet aan deze eis. In dit 'middel' wordt onder vermelding van art. 416 Sr Pro immers weliswaar naar voren gebracht dat het Hof de verdachte ten onrechte danwel op onbegrijpelijke gronden heeft veroordeeld wegens het medeplegen van opzetheling, maar deze klacht wordt louter met feitelijke argumenten onderbouwd. Deze argumenten culmineren in de - wederom feitelijke - stelling dat er geen enkele link is tussen de in de garagebox aangetroffen gestolen auto, en de auto die op naam van de verdachte stond, danwel bij hem in gebruik was. Een dergelijke klacht kan niet worden aangemerkt als een cassatiemiddel in de zin der wet (vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, p. 85).
6. Nu hetgeen is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een cassatiemiddel in de zin der wet, heeft de verdachte niet voldaan aan de in art. 437 lid 2 Sv Pro neergelegde verplichting. Daarom kan hij niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep.
7. Deze conclusie strekt ertoe de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG