ECLI:NL:PHR:2009:BG3503
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken wettelijk cassatiemiddel
De verdachte was door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van opzetheling, medeplichtigheid aan een opiumwetdelict en medeplegen van valsheid in geschrift, en kreeg een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd. Het hof sprak hem vrij van andere tenlastegelegde feiten en wees de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.
De verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Namens hem werd een schriftuur ingediend met een middel dat betoogde dat het hof ten onrechte had geoordeeld over medeplegen van opzetheling. Dit middel was echter feitelijk van aard en bevatte geen stellige en duidelijke klacht over een rechtsregel of vormverzuim.
Volgens vaste jurisprudentie moet een cassatiemiddel een duidelijke rechtsklacht bevatten. Het middel voldeed hier niet aan, omdat het feitelijke argumenten aanvoerde zonder een rechtsregel te betwisten. Hierdoor is niet voldaan aan de eisen van art. 437 lid 2 Sv Pro.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep, omdat het middel geen wettelijk cassatiemiddel is. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van een wettelijk cassatiemiddel.