ECLI:NL:PHR:2009:BG3533

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11843
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359.2 SvArt. 359.8 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering bewijswaardering en overschrijding redelijke termijn in witwas- en cocaïne-invoerzaak

De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van witwassen, gewoonteheling, medeplegen van opzetheling en medeplegen van invoer van cocaïne. Het hof sprak de verdachte vrij van witwassen en gewoonteheling, maar veroordeelde hem voor medeplegen van opzetheling en invoer van cocaïne tot 42 maanden gevangenisstraf.

De verdediging voerde in hoger beroep een uitdrukkelijk en onderbouwd standpunt aan dat de verklaringen van twee cruciale getuigen onbetrouwbaar waren en niet als bewijs mochten dienen. Het hof gebruikte deze verklaringen echter wel zonder de vereiste motivering zoals voorgeschreven in art. 359.2 Sv, wat leidt tot nietigheid van het arrest.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en zal de straf naar gebruikelijke maatstaven reduceren.

De overige klachten van de verdediging worden verworpen en er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging gevonden. De zaak hangt samen met een ontnemingszaak die gelijktijdig wordt behandeld.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering bij bewijswaardering en overschrijding van de redelijke termijn, met strafvermindering tot gevolg.

Conclusie

Nr. 07/11843
Mr Jörg
Zitting 4 november 2008
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte](1)
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft in hoger beroep bij arrest van 28 augustus 2006 verzoeker vrijgesproken van witwassen althans gewoonteheling en hem voor het meer subsidiair tenlastegelegde medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd, en voor het medeplegen van invoer van cocaïne veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.
2. Namens verzoeker hebben, mr. A.M.J. Adriaansen en mr. R.I. Takens, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1 en 2] onbetrouwbaar zijn en daarom van het bewijs dienen te worden uitgesloten.
4. Ten laste van de verzoeker is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 2 september 2004 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (telkens) geldbedragen voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het voorhanden krijgen van die geldbedragen telkens wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof."
5. Voorts is ten laste van de verzoeker onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 2 september 2004 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die(2) wet behorende lijst I."
6. De ten processe overgelegde pleitnota eindigt - na de verschillende verklaringen van de cruciale getuigen [getuige 1 en 2] onder de loep genomen te hebben met:
"Conclusie: vrijspraak overige transporten en witwassen."
7. Het hof heeft inderdaad verzoeker vrijgesproken van witwassen en - voor zover ik zie - van andere transporten dan het transport dat door de politie werd onderschept op 2 september 2004.
8. Aldus is het hof tegemoet gekomen aan hetgeen de raadsman ter zitting in zijn conclusie naar voren heeft gebracht en is het hof niet afgeweken van door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
9. Het middel treft daarom geen doel en kan met de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering worden afgedaan.
10. Het tweede middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
11. Verzoeker heeft op 7 september 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 2 augustus 2007 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal naar de gebruikelijke maatstaf de straf dienen te reduceren.
12. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen voor zover het de strafoplegging betreft en tot verwerping voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen verzoeker met nr. 07/11689 P, waarin ik vandaag ook concludeer.
2 In de bewezenverklaring is "Opiumwet" doorgehaald, maar onmiskenbaar slaat "die wet" op de Opiumwet.