ECLI:NL:PHR:2009:BG3554
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over revindicatie en verkrijging te goeder trouw van gestolen geluidsbanden
In deze zaak gaat het om de teruggave van geluidsbanden van The Beatles die in 2003 in beslag zijn genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar diefstal en heling. De banden waren in bezit van klager en een medeverdachte, die verklaarden de banden te hebben gekocht van een derde die beweerde ze van John Lennon te hebben gekregen. De Engelse strafzaak bevestigde dat de banden gestolen waren en toebehoren aan Apple Films Limited.
De rechtbank oordeelde dat de banden niet aan klager konden worden teruggegeven omdat hij niet te goeder trouw zou zijn verkregen en dat de revindicatiemogelijkheid van art. 3:86 lid 3 BW Pro van toepassing was. Klager stelde in cassatie dat de driejaarstermijn was verstreken, waardoor lid 1 van art. 3:86 BW Pro weer volledig van toepassing zou zijn en hij als verkrijger te goeder trouw beschermd zou moeten worden.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd of klager de banden te goeder trouw heeft verkregen nadat de driejaarstermijn was verstreken. Ook het enkele feit dat klager niet vervolgd werd voor opzet- of schuldheling betekent niet automatisch dat hij te goeder trouw was. Daarom is de beschikking onvoldoende gemotiveerd en vernietigt de Hoge Raad deze, waarna de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.
De zaak illustreert de toepassing van het civielrechtelijke eigendomsrecht in combinatie met strafvorderlijke beslaglegging en de bijzondere regels rond revindicatie van gestolen roerende zaken. De beoordeling van de verkrijging te goeder trouw is cruciaal voor de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering over de verkrijging te goeder trouw en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.