ECLI:NL:PHR:2009:BG3588
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen voorrecht op zeeschip bij niet-geschreven arbeidsovereenkomst van bemanningslid
In deze zaak stond centraal of een loonvordering van een bemanningslid, gebaseerd op een arbeidsovereenkomst waarvan het bestaan niet werd betwist, kon worden verhaald op een zeeschip dat eigendom was van een derde partij die niet bij de arbeidsovereenkomst betrokken was. De arbeidsovereenkomst was niet schriftelijk vastgelegd, terwijl art. 398 van Pro het Wetboek van Koophandel (WvK) dit voorschrijft voor arbeidsovereenkomsten tot de vaart ter zee.
De kantonrechter had eerder de loonvordering toegewezen en beslag op het schip gelegd. Framroad, de eigenaar van het schip, stelde dat het beslag onterecht was omdat de arbeidsovereenkomst niet schriftelijk was aangegaan zoals vereist. Het hof vernietigde het kortgedingvonnis en hief het beslag op, stellende dat zonder schriftelijke overeenkomst geen beroep op het voorrecht van art. 8:211 BW Pro mogelijk was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het schriftelijkheidsvereiste van art. 398 WvK Pro een materiële voorwaarde is voor het bestaan van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst tot de vaart ter zee. Hierdoor kon het voorrecht op het schip niet worden ingeroepen tegen de eigenaar die niet partij was bij de arbeidsovereenkomst. De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatiemiddel verworpen moet worden.
Uitkomst: De loonvordering van het bemanningslid kan niet worden verhaald op het schip zonder schriftelijke arbeidsovereenkomst zoals vereist door art. 398 WvK.