ECLI:NL:PHR:2009:BG4156
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de wettigheid en proportionaliteit van betekeningskosten bij dwangbevelen in belastinginvordering
De zaak betreft een geschil over de kosten van betekening van dwangbevelen opgelegd aan X Holding B.V. wegens niet tijdige betaling van vennootschapsbelasting over 2003 en 2004. De belanghebbende betwistte de kosten omdat zij stelde de aanslagen en aanmaningen niet te hebben ontvangen. De Rechtbank en het Hof bevestigden dat de kosten terecht in rekening zijn gebracht, waarbij het Hof oordeelde dat de Belastingdienst aannemelijk had gemaakt dat de aanslagen en aanmaningen op het juiste adres waren verzonden.
De belanghebbende voerde in cassatie aan dat art. 7(2) Kostenwet, die het verweer van niet-ontvangst uitsluit, strijdig is met het Eerste Protocol EVRM en dat de kosten een boete-element bevatten. De Procureur-Generaal concludeerde dat het wettelijke vermoeden van ontvangst en de bewijslastverdeling gerechtvaardigd zijn en dat de uitsluiting van tegenbewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces onder art. 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor correcte verzending bij de Belastingdienst ligt en dat de belanghebbende slechts kan slagen in haar verweer indien zij aannemelijk maakt dat zij de aanslagen en aanmaningen niet heeft ontvangen. De Hoge Raad acht de regeling proportioneel en binnen de marge van waardering van de wetgever, mede gelet op de preventieve en kostendekkende doeleinden van de Kostenwet. De uitspraak bevestigt dat betekeningskosten forfaitair worden vastgesteld en dat de verhoging van tarieven mede is bedoeld als stimulans tot tijdige betaling.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de kosten van betekening van dwangbevelen zijn terecht in rekening gebracht.