ECLI:NL:PHR:2009:BG4245

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11387
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 SvArt. 81 ROArt. IV lid 3 Procesreglement Strafkamer HR 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest en terugwijzing wegens onvolledige processtukken en dagvaarding

Het gerechtshof te 's-Gravenhage had verdachte bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden voor vermogensdelicten. Verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest. In de cassatieprocedure werden drie klachten geformuleerd, waarvan de Hoge Raad het tweede middel gegrond achtte omdat het arrest niet de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen bevatte en er geen aanvulling op het verkorte arrest was opgemaakt.

De Hoge Raad oordeelde dat een raadsman die meent dat processtukken onvolledig zijn, binnen de termijn van artikel 437 lid 2 Sv Pro schriftelijk een verzoek tot aanvulling moet indienen bij de rolraadsheer. In deze zaak was niet gebleken dat een dergelijk verzoek was ingediend, waardoor de klacht niet tot cassatie kon leiden.

Verder werd vastgesteld dat de dagvaarding in hoger beroep correct aan verdachte was uitgereikt in persoon in het huis van bewaring te Middelburg, waar verdachte gedetineerd zat. De klacht over de dagvaarding faalde daarom. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor een nieuwe berechting op het bestaande beroep.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 07/11387
Mr. Machielse
Zitting 11 november 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 13 februari 2007 bij verstek voor vermogensdelicten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. R.A. Oliemans, advocaat te Bergen op Zoom, heeft in cassatieschriftuur ingezonden waarin ik drie klachten ontwaar.
3. De derde klacht verwijt het hof dat het niet is ingegaan op een verweer dat verdachte tegenover de politie zou hebben geuit en ziet over het hoofd dat geen rechtsregel de rechter verplicht om in te gaan op verweren die niet uitdrukkelijk ter terechtzitting aan de rechter zijn gepresenteerd.
4. Het tweede middel klaagt dat het arrest niet de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen bevat. Evenmin is een aanvulling op het verkort arrest opgemaakt.
Deze klacht is terecht voorgesteld.
5.1. Het eerste middel klaagt over de uitreiking van de inleidende dagvaarding en van de dagvaarding in hoger beroep. De inleidende dagvaarding is niet uitgereikt aan het detentieadres. Volgens de steller van het middel was verdachte gedetineerd op het moment van die uitreiking. Ook de appeldagvaarding zou niet juist zijn uitgereikt.
5.2. De appeldagvaarding is op 26 oktober 2006 aan verdachte in persoon in het huis van bewaring te Middelburg, waar verdachte uit andere hoofde gedetineerd zat, uitgereikt. Er is dus geen grond voor nietigverklaring van die dagvaarding. De inleidende dagvaarding is trouwens op 25 januari 2006 ook aan verdachte in persoon uitgereikt.
Dit middel faalt in al zijn onderdelen.
6. Het tweede middel is terecht voorgesteld. Het eerste en derde middel falen en kunnen met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te `s-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden