ECLI:NL:PHR:2009:BG4968

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13273
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. IX Wet van 23 december 1992Art. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt schadevergoedingsmaatregelen wegens toepassing overgangsrecht

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten waaronder verkrachting, poging tot verkrachting, diefstal en afpersing, en daarbij schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan benadeelde partijen. Verdachte stelde beroep in cassatie tegen deze veroordeling.

De Hoge Raad beoordeelde onder meer het bewijs rond de verkrachting en poging tot verkrachting, waarbij het hof aannam dat de voltooide verkrachting niet bewezen was, maar wel de poging en de daaraan voorafgaande gewelddadige handelingen. De bewijsvoering werd als voldoende beoordeeld, mede op basis van verklaringen en een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium.

Een belangrijk punt was de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen op grond van art. 36f Sr, dat pas vanaf 1 januari 1995 geldt. De feiten waarvoor deze maatregelen werden opgelegd dateren uit 1990 en 1991, vóór de inwerkingtreding van deze wet. De Hoge Raad oordeelde dat de schadevergoedingsmaatregelen daarom niet konden worden gehandhaafd en vernietigde dit deel van het arrest, terwijl het overige beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de schadevergoedingsmaatregelen wegens toepassing van overgangsrecht, maar bevestigt de overige veroordelingen.

Conclusie

Nr. S 07/13273
Mr. Bleichrodt
Zitting 18 november 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 19 oktober 2007 de verdachte ter zake van 1., 4., 7. en 9. telkens opleverende "verkrachting", 6. "poging tot verkrachting", 5. en 8. telkens opleverende "diefstal" en 10. "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg" veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren, met toewijzing van vorderingen van benadeelde partijen en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen zoals in het arrest vermeld.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1 De klacht van het eerste middel komt daarop neer dat het onder 5 bewezenverklaarde uitsluitend berust op de in een ambtsedig proces-verbaal opgenomen verklaring van aangeefster [slachtoffer 3].
3.2 Het middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft aan de bewezenverklaring onder 5 mede ten grondslag heeft gelegd een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van 13 februari 1991 (genoemd in noot 10 van het arrest). Dat rapport is van belang voor de bewijsvoering van zowel feit 4 (de verkrachting), als feit 5 (de diefstal). Die beide feiten zijn op dezelfde datum en op dezelfde plaats tegen [slachtoffer 3] gepleegd. Uit het rapport kan volgen dat verdachte ter plaatse aanwezig is geweest toen volgens de aangeefster de diefstal is gepleegd.
4.1 Het tweede middel stelt dat het Hof de verdachte niet alleen van de onder 6 primair tenlastegelegde verkrachting, maar ook van de onder 6 subsidiair tenlastegelegde poging tot verkrachting had moeten vrijspreken omdat het Hof overwegende dat er twijfel is over de vraag of verdachte met zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] is geweest, ook niet heeft kunnen vaststellen dat het voorgenomen misdrijf niet voltooid is ten gevolge van de zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat het niet lukte vleselijke gemeenschap te hebben met [slachtoffer 2].
4.2 Mijns inziens moeten de in het middel geciteerde overwegingen van het Hof aldus worden begrepen dat, nu het slachtoffer [slachtoffer 2] niet heeft kunnen verklaren of sprake is geweest van de tenlastegelegde gemeenschap, gelet op het standpunt van de verdachte ter zake, de primair tenlastegelegde voltooide verkrachting niet is bewezen.
Wel heeft het Hof bewezen geacht de gewelddadige handelingen en bedreigingen die de verdachte met het oog op de voorgenomen verkrachting jegens [slachtoffer 2] heeft gepleegd, respectievelijk geuit. 's Hofs oordeel moet verder kennelijk aldus worden verstaan dat het is uitgegaan van de verklaring van verdachte die daartoe strekt dat het hem niet is gelukt met zijn penis in de vagina van [slachtoffer 2] te komen.
4.3 Aldus verstaan en gelet op de vrijheid van de feitenrechter bij de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, voldoet de bewijsvoering van het Hof met betrekking tot het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde aan de daaraan te stellen eisen.
4.4. Het middel faalt.
5.1 Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte schadevergoedingsmaatregelen heeft opgelegd, nu art. 36f Sr pas in 1995 in werking is getreden en de desbetreffende feiten in 1990 en 1991 zijn begaan.
5.2 De door het Hof opgelegde schadevergoedingsmaatregelen hebben betrekking op de feiten 1 en 6 subsidiair die op 2 oktober 1990, respectievelijk 12 juli 1991 zijn begaan en wel tegen [slachtoffer 1], onderscheidenlijk [slachtoffer 2].
5.3 De schadevergoedingsmaatregel is ingevoerd bij de Wet van 23 december 1992 tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten (Stb. 1993, 29).
Uit de overgangsbepaling (art. IX, eerste lid) van die wet volgt dat de schadevergoedingsmaatregel niet kan worden opgelegd ter zake van strafbare feiten die zijn begaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van genoemde wet; de wet is vanaf 1 april 1993 - gefaseerd - in werking getreden.
5.4 Uit het voorgaande volgt dat het middel terecht is voorgesteld en dat het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven.
6. De eerste twee middelen falen en kunnen met toepassing van art. 81 RO Pro worden afgedaan. Gronden die tot ambtshalve cassatie van de bestreden uitspraak aanleiding zouden behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarbij schadevergoedingsmaatregelen zijn opgelegd, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden