ECLI:NL:PHR:2009:BG5048
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voorwaardelijke machtiging en eisen aan het behandelingsplan volgens art. 14a Wet Bopz
In deze zaak gaat het om de toetsing van de vereisten aan het behandelingsplan bij het verlenen van een voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14a van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Betrokkene, die verblijft in een asielzoekerscentrum, had een voorlopige machtiging en verzocht om een voorwaardelijke machtiging met voorwaarden omtrent medicatie en behandeling.
De rechtbank stelde vast dat het behandelingsplan was opgesteld door de behandelaar na overleg met betrokkene, maar dat betrokkene zich niet kon vinden in het medicatievoorschrift en geen expliciete instemming had gegeven. Desondanks oordeelde de rechtbank dat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat betrokkene zich aan de voorwaarden zou houden, mede gelet op eerdere naleving van soortgelijke voorwaarden en verklaringen van betrokken zorgverleners.
Het cassatiemiddel stelde dat het behandelingsplan niet voldeed aan de wettelijke eisen van art. 14a lid 5 Wet Bopz, omdat het ontbrak aan een duidelijke onderbouwing waarom betrokkene de voorwaarden zou naleven zonder instemming. De Hoge Raad overwoog dat sinds de wetswijziging van 2008 instemming niet langer een conditio sine qua non is, maar dat overleg en een redelijke verwachting van naleving voldoende zijn. Het oordeel van de rechtbank dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven is niet onbegrijpelijk of onjuist gemotiveerd.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de rechter bij zijn oordeel ook andere informatie mag betrekken, zoals verklaringen van behandelaars en familie. Het behandelingsplan dient als toetssteen, maar het uiteindelijke oordeel berust bij de rechter. Hierdoor blijft de voorwaardelijke machtiging een instrument om gedwongen opname te voorkomen, ook als de patiënt niet expliciet instemt met het plan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat een voorwaardelijke machtiging kan worden verleend zonder expliciete instemming van de patiënt, mits redelijkerwijs aannemelijk is dat de patiënt de voorwaarden zal naleven.