ECLI:NL:PHR:2009:BG5255
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt formele rechtskracht dwangsombesluit ondanks verzet en betwisting
In deze zaak heeft B.V. Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen Verzicht verzet aangetekend tegen een dwangbevel van de gemeente Rotterdam tot invordering van verbeurde dwangsommen. De last onder dwangsom was opgelegd wegens het niet tijdig verwijderen of onklaar maken van een ondergrondse huisbrandolietank op een perceel te Rotterdam, in strijd met artikel 18 lid 4 BOOT Pro 1998.
Verzicht voerde aan dat zij niet aan de last kon voldoen vanwege onjuiste informatie en onbereikbaarheid van de tank, dat de dwangsommen niet verbeurd waren, en dat een uitzondering op de formele rechtskracht van het dwangsombesluit moest worden gemaakt. Zowel de rechtbank als het hof wezen deze verweren af, stellende dat de last onherroepelijk was geworden en dat de formele rechtskracht niet ter discussie kon worden gesteld in de verzetprocedure.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en overweegt dat de verzetprocedure niet geschikt is om de rechtmatigheid van het dwangsombesluit te toetsen. Verweer dat ziet op overmacht of onmogelijkheid tot naleving dient in de bestuursrechtelijke procedure te worden aangevoerd. Ook een beroep op de redelijkheid van de invordering kan niet leiden tot vernietiging van het dwangsombesluit in de verzetprocedure. De Hoge Raad wijst voorts op de mogelijkheid voor de overtreder om op grond van artikel 5:34 Awb Pro een verzoek tot opschorting of vermindering van de last te doen bij het bestuursorgaan.
Het oordeel van het hof dat Verzicht niet binnen de gestelde termijn aan de last had voldaan, wordt niet onbegrijpelijk geacht. Ook de door Verzicht aangevoerde feiten en omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering op de formele rechtskracht. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de invordering van de dwangsommen.