ECLI:NL:PHR:2009:BG5476
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens ontbreken middelen van cassatie
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem op 17 januari 2007 aan verdachte een ontnemingsmaatregel opgelegd tot betaling van €16.979,- wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. Verdachte heeft vervolgens cassatie ingesteld. De advocaat van verdachte heeft een schriftuur ingediend, maar deze bevat geen middelen van cassatie zoals bedoeld in artikel 437 lid 2 Sv Pro, dat wil zeggen een duidelijke klacht over een schending van een rechtsregel of een vormverzuim door de rechter.
De advocaat wees er slechts op dat het arrest in de ontnemingszaak niet in stand kan blijven indien de onderliggende feiten in de hoofdzaak niet tot een veroordeling leiden. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en artikel 511i Sv, dat bepaalt dat een ontnemingsuitspraak vervalt indien de veroordeling in de hoofdzaak achterwege blijft.
Omdat verdachte niet tijdig en regelmatig een schriftuur met middelen van cassatie heeft ingediend, wordt verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat het beroep van verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het ontbreken van middelen van cassatie.