ECLI:NL:PHR:2009:BG5568
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of bouwschutting onroerende zaak is voor toepassing plakverbod in APV Eindhoven
In deze zaak stond centraal of het aanplakken van posters op een bouwschutting in Eindhoven valt onder het plakverbod van artikel 2.4.2 lid 2 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) Eindhoven 2004, dat betrekking heeft op onroerende zaken die vanaf de weg zichtbaar zijn. De verdediging voerde aan dat een bouwschutting civielrechtelijk een roerende zaak is, omdat deze tijdelijk is en niet duurzaam met de grond is verenigd volgens artikel 3:3 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de bouwschutting, ondanks haar tijdelijke karakter, naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en derhalve als onroerende zaak moet worden beschouwd binnen de betekenis van de APV. Dit oordeel is gebaseerd op jurisprudentie, waaronder het Portacabin-arrest, waarin criteria zijn geformuleerd voor het bepalen van duurzame vereniging met de grond.
De Hoge Raad bevestigt dit standpunt en wijst erop dat het criterium van duurzame bestemming en de naar buiten kenbare bedoeling van de bouwer beslissend zijn, niet de technische mogelijkheid tot verplaatsing. De conclusie is dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en het middel faalt, waardoor het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een bouwschutting als onroerende zaak geldt voor het plakverbod in de APV Eindhoven, waardoor de veroordeling blijft staan.