ECLI:NL:PHR:2009:BG5920
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid waterschap tot heffing van precariobelasting op nutswerken in openbare grond
In deze zaak staat centraal of een waterschap als eigenaar van grond precariobelasting mag heffen over nutswerken die door een nutsbedrijf worden beheerd en in de voor de openbare dienst bestemde grond liggen. Belanghebbende, een nutsbedrijf, betwistte de aanslagen precariobelasting over meerdere jaren en stelde onder meer dat het waterschap een gedoogplicht had op grond van de Gaswet en Elektriciteitswet, en dat dubbele heffing plaatsvond vanwege reeds betaalde recognities.
Het Hof 's-Gravenhage oordeelde dat het waterschap in beginsel niet verplicht is het hebben van nutswerken te gedogen zonder dat de Belemmeringenwet Privaatrecht is toegepast. De heffing van precariobelasting is toegestaan tenzij een wettelijke gedoogplicht bestaat of een privaatrechtelijke overeenkomst (zoals een recognitie) dubbele heffing uitsluit. Het Hof verklaarde het beroep gegrond voor zover het betrekking had op objecten waarvoor ook een recognitie werd geheven.
De Hoge Raad bevestigt dat de heffing van precariobelasting alleen mogelijk is indien het waterschap als eigenaar het hebben van voorwerpen kan verbieden, hetgeen niet het geval is bij een wettelijke gedoogplicht. De Gaswet en Elektriciteitswet bevatten geen dergelijke gedoogplicht. De recognitie wordt gezien als een erkenning van het eigendomsrecht en sluit dubbele heffing uit. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof dat het waterschap niet buiten zijn bevoegdheid is getreden met de heffing van precariobelasting.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat het waterschap bevoegd is tot heffing van precariobelasting.