ECLI:NL:PHR:2009:BG6450

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/080HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 4 Cassatieregeling Nederlandse Antillen en ArubaArt. 264 RvNAArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen schending van hoor en wederhoor bij overleg deskundige met procesgemachtigde in Antillenzaak

In deze zaak stond centraal of het overleg van een deskundige met de procesgemachtigde van een partij, zonder dat de procespartij zelf aanwezig was, in strijd was met het beginsel van hoor en wederhoor. De Hoge Raad stelde vast dat de eiseres voldoende gelegenheid had gehad om zich over het deskundigenonderzoek en de bevindingen uit te laten. Dit bleek onder meer uit het feit dat relevante opmerkingen van partijen in het deskundigenrapport waren verwerkt en dat er meerdere gesprekken en telefonisch contact hadden plaatsgevonden tussen de deskundige en de procespartij of haar gemachtigde.

Het cassatieberoep richtte zich tegen de beoordeling van het hof dat het overleg met de procesgemachtigde voldeed aan het wettelijke vereiste dat partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De Hoge Raad verwierp het middel, stellende dat een eventueel verzuim van de deskundige niet betekent dat het deskundigenbericht niet als bewijs kan dienen, mits partijen na het deskundigenbericht ruim in de gelegenheid zijn gesteld tot discussie.

De Hoge Raad concludeerde dat er geen schending van het hoor en wederhoor-beginsel had plaatsgevonden en verwierp het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De zaak betreft een procesrechtelijke kwestie binnen het civiele recht van de Nederlandse Antillen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen schending van het hoor en wederhoor-beginsel bij overleg deskundige met procesgemachtigde.

Conclusie

R07/080HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 5 december 2008 (Antillenzaak)
Conclusie inzake:
[Eiseres]
tegen
Coral Estate Resort Development N.V.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1.1 Het tijdig(1) tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 23 januari 2007 ingestelde cassatieberoep bevat één middel, dat in de kern is gericht tegen rechtsoverweging 3.5, waarin het hof - voor zover thans van belang - als volgt heeft geoordeeld:
"Blijkens zijn rapport heeft de deskundige niet het gehele (concept)rapport aan partijen ter beschikking gesteld, maar wel zijn bevindingen besproken met onder meer mr. S.J. Fontein, de toenmalige procesgemachtigde van The Sissies, en met [eiseres]. Hiermee is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de deskundige bij zijn onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te voldoen. The Sissies is hiermee ook voldoende in de gelegenheid gesteld uitleg te geven. De deskundige was niet gehouden de opmerkingen van CERD met The Sissies te bespreken, zodat ook het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden."
1.2 De klacht dat dit oordeel in strijd is met een algemene bepaling van het bewijsrecht(2) is in het geheel niet uitgewerkt en voldoet mitsdien niet aan het vereiste van art. 407 lid 2 Rv Pro.
1.3 Het middel klaagt voorts dat het hof ten onrechte zijn oordelen in de rechtsoverwegingen 3.3, 3.4, 3.7 en 3.8 bijna geheel op het rapport van de deskundige stoelt, terwijl de deskundige bij de totstandkoming van zijn deskundigenbericht niet heeft voldaan aan de regel dat hij bij zijn onderzoek partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en aldus het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.
1.4 Het middel faalt. Een eventueel verzuim van de deskundige om partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen leidt er niet toe dat de rechter het deskundigenbericht niet aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen(3). Daarbij is van belang of partijen na het deskundigenbericht in ruime mate in de gelegenheid zijn gesteld tot een onderlinge discussie omtrent de inhoud van het door de deskundige(n) opgemaakte rapport(4).
1.5 Uit de gedingstukken blijkt dat [eiseres] voldoende gelegenheid heeft gehad zich over het onderzoek en de bevindingen van de deskundige uit te laten en dat zij hiervan ook (uitvoerig) gebruik heeft gemaakt.
Niet alleen wordt in het deskundigenbericht van 8 november 2005 (p. 3) vermeld dat relevante opmerkingen van alle partijen in het kader van wederhoor in het deskundigenrapport zijn verwerkt, ook maakt [eiseres] in haar conclusie na deskundigenbericht (p. 1) gewag van het feit dat zij in bijzijn van haar procesgemachtigde op 1 augustus 2005 een gesprek heeft gehad met de deskundige onder andere over de onderhavige zaak, dat haar procesgemachtigde ook nog afzonderlijk een gesprek heeft gehad met de deskundige alsmede dat er telefonisch contact is geweest tussen haar en de deskundige. Voorts is [eiseres] in eerste aanleg bij conclusie na deskundigenbericht en in hoger beroep in haar memorie van grieven(5) en bij pleidooi(6) uitvoerig en inhoudelijk op het deskundigenbericht ingegaan.
1.6 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep worden verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Het verzoekschrift tot cassatie is op 20 april 2007 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De cassatietermijn bedraagt drie maanden, zie art. 4 Cassatieregeling Pro voor de Nederlandse Antillen en Aruba in verbinding met art. 264 RvNA Pro.
2 Cassatieverzoekschrift p. 4.
3 Vaste rechtspraak: HR 12 februari 1993, NJ 1993, 234 onder 4.1 (m.b.t. oud bewijsrecht); HR 7 januari 1994, NJ 1994, 320 (rov. 3.7); HR 20 september 1996, NJ 1997, 328 m.nt. Rutgers (rov. 3.1); HR 15 juni 2001, NJ 2001, 435 (rov. 3.6) en HR 25 november 2005, LJN: AT9053 (rov. 3.10).
4 HR 12 februari 1993, NJ 1993, 234 (rov. 4.1).
5 Zie de MvG onder I, III, IV, V en IX.
6 Zie p. 2 (de uitgewerkte rekening-courantvordering) en p. 3 (een overzicht van de negatieve kassaldi en onder meer de stortingen van [eiseres]) van de pleitnotitie.