ECLI:NL:PHR:2009:BG6601
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in schijnconstructie meststoffenzaak
In deze strafzaak stonden een pluimveehouder en meerdere akkerbouwers, waaronder verzoeker, terecht voor het opzetten van een schijnconstructie om de mestproductierechten te omzeilen. Het hof veroordeelde verzoeker wegens overtreding van de Wet verplaatsing mestproductie en valsheid in geschrifte tot een geldboete van € 8.107,00, te vervangen door 162 dagen hechtenis.
Verzoeker stelde in cassatie twee middelen voor: overschrijding van de redelijke termijn en het niet reageren op verweren over de uitleg van juridische termen. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, fors was overschreden doordat de procedure sinds 1998 liep en de cassatiezaak jaren duurde. Dit leidde tot strafvermindering.
De andere middelen, waaronder het bewijsverweer omtrent valsheid in geschrifte en het motiveringsvereiste van het hof, werden verworpen. Het hof had voldoende gemotiveerd dat sprake was van opzet en een schijnconstructie. Het strafmaatverweer werd eveneens afgewezen omdat de opgelegde boete passend was.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en beperkte zich tot vermindering van de straf, waarbij het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De geldboete van € 8.107,00 wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, overige middelen worden verworpen.