ECLI:NL:PHR:2009:BG6601

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01962 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 55 MeststoffenwetArt. 3 Wet verplaatsing mestproductieArt. 81 ROArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in schijnconstructie meststoffenzaak

In deze strafzaak stonden een pluimveehouder en meerdere akkerbouwers, waaronder verzoeker, terecht voor het opzetten van een schijnconstructie om de mestproductierechten te omzeilen. Het hof veroordeelde verzoeker wegens overtreding van de Wet verplaatsing mestproductie en valsheid in geschrifte tot een geldboete van € 8.107,00, te vervangen door 162 dagen hechtenis.

Verzoeker stelde in cassatie twee middelen voor: overschrijding van de redelijke termijn en het niet reageren op verweren over de uitleg van juridische termen. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, fors was overschreden doordat de procedure sinds 1998 liep en de cassatiezaak jaren duurde. Dit leidde tot strafvermindering.

De andere middelen, waaronder het bewijsverweer omtrent valsheid in geschrifte en het motiveringsvereiste van het hof, werden verworpen. Het hof had voldoende gemotiveerd dat sprake was van opzet en een schijnconstructie. Het strafmaatverweer werd eveneens afgewezen omdat de opgelegde boete passend was.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en beperkte zich tot vermindering van de straf, waarbij het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De geldboete van € 8.107,00 wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, overige middelen worden verworpen.

Conclusie

Nr. 08/01962 E
Mr Jörg
Zitting 9 december 2008
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker wegens overtreding van de Wet verplaatsing mestproductie en valsheid in geschrifte veroordeeld tot een geldboete van € 8.107,00 te vervangen door 162 dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. De zaak hangt samen met de zaken 08/01961 E ([medeverdachte 4]), 08/01964 E ([medeverdachte 2]) en 08/01965 E ([medeverdachte 3]), in welke zaken ik eveneens vandaag concludeer.
3. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.
4. Het middel is terecht voorgesteld. Dit betreft een wel zeer oude zaak en het is te betreuren dat wederom in cassatie - in feitelijke aanleg was de redelijke termijn namelijk ook al overschreden - sprake is van een zo formidabele termijnoverschrijding. De tenlastegelegde feiten zijn gepleegd in 1998. Het arrest dateert van 24 november 2004. Namens verzoeker is op 7 december 2004 beroep in cassatie ingesteld. Het heeft echter tot 14 april 2008 geduurd voordat de bewijsmiddelen in deze zaak zijn uitgewerkt. De stukken zijn vervolgens op 9 mei 2008 bij de Hoge Raad binnengekomen, drieënhalf jaar na het instellen van het cassatieberoep. De Hoge Raad doet dus ook uitspraak nadat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.
5. Het tweede middel klaagt erover dat het hof niet heeft gerespondeerd op een groot aantal verweren betrekking hebbend op de uitleg van een aantal juridische termen.
6. Ik wil vooropstellen dat deze zaak door het hof is behandeld op 10 november 2004 en dat het arrest is gewezen op 24 november 2004. Het huidige art. 359, tweede lid, Sv dat op 1 januari 2005 in werking is getreden was toen nog niet van toepassing. De zaak dient dus beoordeeld te worden naar de motiveringsvereisten zoals die golden vóór de invoering van art. 359, tweede lid, Sv.
7. Het gaat in deze strafprocedure om de vervolging van pluimveehouder [medeverdachte 3] en een aantal akkerbouwers waaronder verzoeker. De verdachten stonden in hoger beroep - na de vrijspraak in eerste aanleg van overtreding van de Meststoffenwet - enkel nog terecht omdat ze verdacht werden van het opzetten van een schijnconstructie waardoor pluimveehouder [medeverdachte 3] meer mest kon produceren dan wettelijk was toegestaan. Die schijnconstructie hield in dat de akkerbouwers in naam stukken land pachtten van [medeverdachte 3] en daarop stallen met pluimvee hielden. Feitelijk behoorden de stallen pluimvee nog steeds bij het bedrijf van [medeverdachte 3] en was hij de mestproducent die aldus zijn mestproductierecht overschreed.
8. De zaak staat niet op zichzelf. Onlangs concludeerde mijn ambtsgenoot Machielse in een groot aantal zaken (conclusies van 21 oktober 2008, LJN: BG1472) welke betrekking hadden op overtreding van de Meststoffenwetgeving door (samenwerkingsverbanden van) akkerbouwers en varkenshouders. Ook in die zaken speelde de vraag of sprake was van een schijnconstructie, mede opgezet door hetzelfde accountantskantoor.
9. De verdachten zijn in feitelijke aanleg bijgestaan door mr. Linssen en mr. Van Beek. Ten behoeve van alle zaken is één pleitnotitie overgelegd. Dat is begrijpelijk maar leidt in dit geval wel tot een lastige situatie. Blijkens de pleitnotitie is de verdediging uitgegaan van de misvatting (p. 3 van de eerste "pleitnotities", iets onder het midden) dat het appel van verzoeker slechts was gericht tegen de tenlastegelegde valsheid in geschrift en niet tegen overtreding van de meststoffenwetgeving. Verzoeker was in eerste aanleg weliswaar vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit 1 (overtreding van art. 55 Meststoffenwet Pro) maar niet van het subsidiair tenlastegelegde art. 3 van Pro de Wet verplaatsing mestproductie.
10. De tweede "pleitnotities" zijn zo opgesteld dat het eerste gedeelte dat ziet op de uitleg en interpretatie van de meststoffenwet, is aangevoerd in de strafzaak tegen [medeverdachte 3] en niet tegen de akkerbouwers. 's Hofs kennelijke oordeel dat de betreffende verweren gericht op de uitleg van de begrippen:
- bedrijf
- de tot het bedrijf behorende oppervlaktegrond
- mestproducent
- feitelijk leidinggeven
slechts zijn gevoerd in de strafzaak tegen [medeverdachte 3] is niet onbegrijpelijk. De kern van het betoog komt er bovendien op neer dat niet [medeverdachte 3] mestproducent is geweest maar verzoeker, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]. Hoe dit betoog de verdediging van verzoeker kan dienen is mij een raadsel. Het hof was reeds op deze grond niet gehouden nader in te gaan op deze gevoerde verweren in de strafzaak tegen verzoeker. In zoverre kan het middel niet slagen.
11. Dan het verweer betrekking hebbend op het bewijs van de valsheid in geschrift. Blijkens de pleitnotities is namens de verdediging aangevoerd dat valsheid in geschrift niet kan worden bewezenverklaard omdat partijen ten tijde van de contractsluiting nog niet de intentie hebben gehad de inhoud van de overeenkomsten niet na te leven.
12. In een nadere bewijsoverweging heeft het hof opgenomen:
"Uit de hierboven vermelde bewijsmiddelen leidt het hof af, dat door [A] B.V. of één of meer andere besloten vennootschappen, waarvan [medeverdachte 3] bestuurder is, en/of [medeverdachte 3], allen verder ook te noemen [medeverdachte] c.s., met verdachte een constructie is opgezet, die ertoe leidde dat het houden van kippen in een stal gelegen op het terrein van [A] B.V. werd voorgesteld als behorende tot de bedrijfsuitoefening van verdachte en niet tot die van eerstgenoemd bedrijf, waartoe de voor [medeverdachte] c.s. geldende beperkingen aan de productie van dierlijke meststoffen ingevolge artikel 55 van Pro de Meststoffenwet en artikel 3 van Pro de Wet verplaatsing mestproductie anders in de weg zouden staan. Dat dit het motief was om tot deze constructie te komen is tussen partijen in confesso. Anders dan door en namens verdachte is betoogd, is het hof van oordeel, dat de feitelijke situatie met betrekking tot de hiervoor omschreven bedrijfsuitoefening, zoals die nader is omschreven in de bewijsmiddelen dusdanig is, dat mede gelet op de verantwoordelijkheden voor de aankoop en de verzorging van de kippen, de wijze waarop de risico's voor verdachte voortvloeiende uit de marktontwikkelingen ten aanzien van geproduceerde eieren e.a. zijn afgedekt, en het gegeven(), dat blijkens de samenwerkingsovereenkomst in elk geval minstens een voordelig eindresultaat van f 250,-- per hectare ten behoeve van verdachte is verzekerd, niet kan worden geconcludeerd, dat die bedrijfsuitoefening aan verdachte in plaats van aan [medeverdachte] c.s is toe te rekenen.
13. Dit verweer betreft een bewijsverweer waarvoor destijds wettelijk of jurisprudentieel geen bijzondere motiveringsplicht gold. Het middel dat stelt dat het hof uitdrukkelijk had moeten motiveren waarom het dit verweer heeft verworpen, kan dus niet slagen. In 's hofs overweging ligt bovendien besloten dat partijen van meet af aan de intentie hebben gehad een schijnconstructie op te zetten. Aldus kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verzoeker het vereiste opzet heeft gehad.
14. Tenslotte wijst de steller op het middel op het verweer 'de gewijzigde Meststoffenwet'. In de pleitnotities is in het kader van de strafmaat door de verdediging gewezen op het gewijzigde inzicht van de wetgever inzake de strafwaardigheid van het produceren van meststoffen. De constructie zoals opgesteld door de verdachten is volgens de stellers van het middel inmiddels in overeenstemming met de nieuwe meststoffenwetgeving.
15. Dit betreft een strafmaatverweer waarvoor onder het oude recht gold dat de motivering slechts de verbazing moest wegnemen die de straf zou kunnen wekken in het licht van wat ter terechtzitting is aangevoerd. Een responsieplicht voor uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de strafmaat was nog niet ingevoerd.
16. De opgelegde geldboete van € 8.107,00 kan gelet op de aard van de feiten geen verbazing wekken. De strafoplegging is toereikend gemotiveerd.
17. Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering. Het eerste middel is gegrond. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G