ECLI:NL:PHR:2009:BG6607
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vervroegde invrijheidstelling en strafoplegging bij omzetting buitenlandse straf
De Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis de tenuitvoerlegging van een Portugese gevangenisstraf van elf jaar toegelaten en een gevangenisstraf van honderd maanden opgelegd aan de veroordeelde, waarbij rekening is gehouden met de tijd die hij in Portugal in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde in Portugal waarschijnlijk na het uitzitten van de helft van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld, gebaseerd op antwoorden van Portugese autoriteiten.
De officier van justitie stelde cassatie in tegen dit vonnis en voerde aan dat de rechtbank een onjuiste maatstaf hanteerde bij het bepalen van de datum van vervroegde invrijheidstelling. Volgens haar moet worden vastgesteld met grote mate van waarschijnlijkheid dat de veroordeelde daadwerkelijk op die datum in vrijheid zou zijn gesteld, niet slechts dat dit niet onwaarschijnlijk is.
De Hoge Raad overweegt dat het onderzoek naar de strafrechtelijke positie van de veroordeelde bij omzetting van een buitenlandse straf niet altijd een exact antwoord kan geven, omdat de werkelijke duur van detentie afhankelijk is van omstandigheden die bij de overname nog onbekend zijn. De rechtbank heeft het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van vervroegde invrijheidstelling verricht en haar oordeel is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Het cassatiemiddel wordt daarom verworpen.
De Hoge Raad bevestigt hiermee dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de veroordeelde in Portugal met grote mate van waarschijnlijkheid na het uitzitten van de helft van zijn straf in vrijheid zou zijn gesteld, en dat de opgelegde straf in Nederland daarmee in overeenstemming is.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank blijft in stand.