ECLI:NL:PHR:2009:BG7407

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02541
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing incassovordering energieleverancier wegens openstaande facturen

Essent heeft een incassovordering ingesteld tegen een klant wegens openstaande facturen voor geleverde energie en diensten. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen omdat de klant niet tijdig betaalde en onvoldoende verweer voerde.

De klant erkende het contract en de betalingsachterstand, maar voerde aan dat de vordering onvoldoende gespecificeerd was en betwistte de toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden en incassokosten. Essent heeft de vordering nader gespecificeerd en de toepasselijkheid van de voorwaarden toegelicht.

De kantonrechter concludeerde dat de niet weersproken nadere specificaties voldoende waren om de vordering toe te wijzen. De Hoge Raad oordeelde dat het vonnis voldoende is gemotiveerd en dat het verweer van de klant niet gehandhaafd wordt omdat zij geen verdere reactie gaf. Het cassatieberoep van de klant wordt verworpen.

Uitkomst: De incassovordering van Essent wordt toegewezen wegens onvoldoende gemotiveerd verweer en niet weersproken specificaties.

Conclusie

08/02541
Mr L. Strikwerda
Zt. 12 dec. 2008
conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
Essent Retail Energie B.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van een kantonrechter waartegen geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld. Bij het vonnis is een incassovordering van een energieleverancier toegewezen. In cassatie gaat het om de vraag of de kantonrechter zijn beslissing naar behoren heeft gemotiveerd.
2. Uit de gedingstukken blijkt het volgende.
(i) Bij exploot van 22 oktober 2007 heeft thans verweerster in cassatie, hierna: Essent, thans eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres], gedagvaard voor de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg, tot betaling van een bedrag van Euro 1.289,98 te vermeerderen met de wettelijke rente, en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en de buitengerechtelijke incassokosten ad Euro 357,-.
(ii) Essent heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat uit hoofde van één of meerdere met [eiseres] gesloten overeenkomsten, onder toepasselijkheid van de door Essent gehanteerde Algemene Voorwaarden en de daarvoor geldende tarieven, aan [eiseres] gas en/of energie en/of warmte alsmede overige zaken en/of diensten zijn verkocht, geleverd en/of getransporteerd ten behoeve van het perceel [a-straat 1] te ([0000 AA]) [plaats]. Ondanks door Essent gezonden herinneringen en aanmaningen is [eiseres] in gebreke gebleven met de (tijdige) betaling van een aantal nota's, zodat Essent zich genoodzaakt zag haar vordering ter incasso uit handen te geven, aldus Essent.
(iii) [Eiseres] heeft van antwoord gediend en daarbij erkend dat zij met Essent een contract heeft gesloten voor onder meer energievoorziening en niet bestreden dat sprake is van "een zekere achterstand in de betalingen aan Essent". Als verweer tegen de vordering heeft [eiseres] aangevoerd dat de vordering "in het geheel niet is gespecificeerd" zodat de vordering - indien geen nadere specificatie naar kostensoorten en leverdata wordt ontvangen - als ongemotiveerd moet worden afgewezen. Voorts heeft zij de toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden van Essent en de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten betwist.
(iv) Bij conclusie van repliek heeft Essent de grondslag van haar vordering en de onderdelen waaruit deze is opgebouwd nader toegelicht, en nadere stukken overgelegd waaruit de hoogte van de voorschotten, de verbruiks- en eindafrekeningen, en de leverdata blijken. Voorts heeft Essent naar aanleiding van het desbetreffende verweer van [eiseres] gemotiveerd aangegeven dat en waarom haar Algemene Voorwaarden van toepassing zijn en dat en waarom [eiseres] buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is.
(v) Van de haar geboden gelegenheid om te dupliceren heeft [eiseres] geen gebruik gemaakt.
3. Bij vonnis van 5 maart 2008 heeft de kantonrechter de vordering van Essent toegewezen. Daartoe overwoog de kantonrechter onder meer:
"1.2 Na het antwoord van de gedaagde partij is de vordering door de eisende partij nader toegelicht, met gemotiveerde weerspreking van dat antwoord.
Van de vervolgens op behoorlijke wijze aan de gedaagde partij geboden gelegenheid nogmaals een reactie te geven is geen gebruik gemaakt.
1.3 Nu de gedaagde partij niet heeft gedupliceerd wordt vermoed dat het verweer niet wordt gehandhaafd. In elk geval leiden de niet weersproken (nadere) stellingen van de eisende partij, die het verweer van de gedaagde partij voldoende weerleggen, tot toewijzing van de vordering, met veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten."
4. [Eiseres] is tegen het vonnis van de kantonrechter (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. Essent is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
5. Het middel klaagt dat het bestreden vonnis niet de gronden inhoudt waarop het berust. Deze algemene klacht wordt uitgewerkt in twee deelklachten die gericht zijn tegen r.o 1.3.
6. De eerste deelklacht houdt in dat het vonnis niet aangeeft welke feiten en/of stellingen van Essent als voldoende weerlegging van het verweer van [eiseres] moeten worden aangemerkt en mitsdien als voldoende moeten worden beschouwd voor toewijzing van de vordering.
7. Bij de beoordeling van deze klacht dient vooropgesteld te worden dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 120 met rechtspraakgegevens. De vraag hoever de motiveringsplicht gaat, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat (vgl. HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37).
8. Naar deze maat gemeten heeft de kantonrechter zijn beslissing naar mijn mening toereikend gemotiveerd. [Eiseres] heeft bij conclusie van antwoord erkend dat zij met Essent een contract heeft gesloten voor onder meer energievoorziening en niet ontkend dat een zekere achterstand in betalingen is ontstaan. Zij heeft tot haar verweer slechts aangevoerd dat de vordering naar kostensoorten en leverdata onvoldoende is gespecificeerd. Essent heeft daarop bij conclusie van repliek onder overlegging van nadere producties haar vordering nader gespecificeerd naar kostensoorten en leveringsdata. Nu [eiseres], hoewel haar daartoe op behoorlijke wijze de gelegenheid was geboden, op de nadere stellingen van Essent niet heeft gereageerd, is voldoende duidelijk dat de kantonrechter met "de niet weersproken (nadere) stellingen van de wederpartij" het oog had op de door Essent bij conclusie van repliek gegeven nadere specificaties van haar vordering waarom [eiseres] bij conclusie van antwoord had gevraagd. In het licht van het debat van partijen heeft de kantonrechter daarmee, ook zonder die nadere stellingen in zijn vonnis uit te schrijven, voldoende inzicht gegeven in de aan zijn beslissing ten grondslag liggende gedachtegang, zodat niet kan worden gezegd dat de beslissing niet de gronden inhoudt waarop ze berust. De eerste deelklacht faalt derhalve.
9. De tweede deelklacht keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat, nu [eiseres] niet heeft gedupliceerd, wordt vermoed dat [eiseres] haar bij conclusie van antwoord gevoerde verweer niet handhaaft.
10. Deze deelklacht faalt. De aangevallen overweging vormt één van de twee zelfstandige gronden waarop de beslissing van de kantonrechter dat de vordering van Essent toewijsbaar is, berust. De andere grond is de door de eerste deelklacht aangevallen overweging. Waar deze overweging tevergeefs is bestreden, strandt de tweede deelklacht reeds op gebrek aan belang. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 48.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,