ECLI:NL:PHR:2009:BG8786

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04022
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 419 lid 2 RvArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen opheffing faillissement wegens toestand van de boedel

Het cassatieberoep is ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Leeuwarden die de opheffing van het faillissement van verzoeker bekrachtigde. Deze opheffing was bevolen op voordracht van de rechter-commissaris vanwege de toestand van de boedel.

Verzoeker stelde dat hij na detentie in staat zou zijn om inkomsten te genereren en daarmee de schuldeisers gedeeltelijk tegemoet te komen. Het hof oordeelde echter dat dit niet aannemelijk was, omdat verzoeker geen relevante opleiding of arbeidsverleden had en bovendien voortvluchtig was.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden. De stelling dat een oude werkgever bereid zou zijn verzoeker weer in dienst te nemen, is een novum dat niet in de eerdere instanties is aangevoerd. De klacht over de voortvluchtigheid faalt omdat het hof een feitelijk oordeel heeft gegeven dat in cassatie niet kan worden onderzocht. De conclusie van de Procureur-Generaal is daarom dat het cassatieberoep moet worden verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opheffing van het faillissement wordt bekrachtigd.

Conclusie

08/04022
Mr L. Strikwerda
Zt. 19 dec. 2008
conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 11 september 2008. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] een beschikking van de rechtbank Groningen van 15 juli 2008, waarbij op voordracht van de rechter-commissaris de opheffing van het faillissement van [verzoeker] wegens de toestand van de boedel is bevolen, bekrachtigd.
2. Het cassatieberoep berust op één middel dat twee klachten bevat. Naar mijn oordeel kunnen de aangevoerde klachten niet tot cassatie leiden en nopen zij niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
3. Het middel keert zich tegen de verwerping door het hof van het betoog van [verzoeker] dat hij na zijn detentie in staat en bereid zal zijn inkomsten te genereren en de schuldeisers daardoor gedeeltelijk tegemoet te komen. Het hof heeft dit betoog niet aannemelijk geoordeeld op de grond (a) dat uit de stukken naar voren komt dat [verzoeker] geen opleiding heeft voltooid en dat van een relevant arbeidsverleden niet is gebleken, en (b) dat vaststaat dat [verzoeker] voortvluchtig is (r.o. 3).
4. De eerste klacht van het middel keert zich tegen de onder (a) bedoelde grond met de stelling dat het hof ten onrechte deze grond aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, omdat [verzoeker]s oude werkgever, een uitzendbureau in de bouw, bereid is [verzoeker] weer in dienst te nemen tegen een salaris van ongeveer Euro 2.000,-, zodat te verwachten is dat binnen redelijke termijn wel voldoende baten beschikbaar zullen komen voor de voldoening van de faillissementskosten en de overige boedelschulden.
5. De klacht kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat [verzoeker] in feitelijke instantie heeft aangevoerd dat zijn oude werkgever bereid is hem weer in dienst te nemen. De stelling moet derhalve worden beschouwd als een ontoelaatbaar novum in cassatie.
6. De tweede klacht van het middel is gericht tegen de onder (b) bedoelde grond en houdt in dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] voortvluchtig is.
7. Voor zover deze klacht strekt ten betoge dat de bedoelde overweging van het hof onjuist is, faalt zij omdat de overweging een feitelijk oordeel van het hof betreft, welk oordeel in cassatie op juistheid niet kan worden onderzocht. Voor zover de klacht wil betogen dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende is gemotiveerd, kan zij evenmin doel treffen. Ter terechtzitting van het hof is, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, op grond van mededelingen van het kantoor van de advocaat van [verzoeker] gebleken dat [verzoeker] zich aan zijn detentie heeft onttrokken (proces-verbaal, blz. 1, laatste alinea). In dit licht is de overweging van het hof niet onbegrijpelijk. De namens [verzoeker] in cassatie aan de Hoge Raad toegezonden afschriften van een proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling en van een bevel tot inverzekeringstelling behoren niet tot de stukken van het geding en daarin kan derhalve de feitelijke grondslag van de klacht niet worden gevonden (art. 419 lid 2 Rv Pro).
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,