ECLI:NL:PHR:2009:BG8880
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening wegens onbetrouwbaarheid geuridentificatieproef bij diefstalzaak
De zaak betreft een herzieningsverzoek van een aanvrager die in 1999 door het Gerechtshof Arnhem is veroordeeld voor diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen met braak en inklimming. De veroordeling was mede gebaseerd op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in januari 1999.
De Hoge Raad stelt vast dat in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 geuridentificatieproeven vaak zijn uitgevoerd in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Hierdoor kan het resultaat van die proeven niet als voldoende betrouwbaar worden beschouwd zonder concrete aanwijzingen van het tegendeel.
In deze zaak zijn meerdere geuridentificatieproeven gehouden waarbij speurhonden een geurovereenkomst waarnamen tussen veiliggestelde voorwerpen (zoals een zaklamp, koevoet en sokken) en de menselijke geur van de verdachte en medeverdachten. Naast de geurproeven zijn er verklaringen van getuigen en proces-verbalen van politieonderzoeken die de aanwezigheid van verdachte en anderen in de winkel bevestigen.
De Hoge Raad concludeert echter dat zonder de positieve geuridentificatieproef onvoldoende bewijs is om de betrokkenheid van de aanvrager bij de diefstal bewezen te achten. Er bestaat een ernstig vermoeden dat het Hof, indien het bekend was geweest met de onbetrouwbaarheid van de geurproef, tot vrijspraak zou zijn gekomen.
Daarom verklaart de Hoge Raad het herzieningsverzoek gegrond, schorst zo nodig de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor een nieuwe berechting volgens art. 467 Sv Pro.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart herzieningsverzoek gegrond en verwijst zaak terug voor nieuwe berechting vanwege onbetrouwbare geuridentificatieproef.