ECLI:NL:PHR:2009:BG8959

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11939 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking beslag op geldbedragen wegens onjuiste maatstaf teruggave

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Haarlem waarbij het klaagschrift tot teruggave van inbeslaggenomen gelden ongegrond werd verklaard. Het beslag betrof een bedrag van €10.900 en 60 Zwitserse Francs, in beslag genomen op grond van art. 94 Sv Pro.

De rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vorderde, maar weigerde teruggave omdat de klager niet buiten redelijke twijfel als rechthebbende van het geld kon worden aangemerkt. De Hoge Raad stelt dat deze maatstaf onjuist is; indien het belang van de strafvordering het beslag niet vordert, moet teruggave worden gelast tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling van het klaagschrift op het bestaande dossier. Er zijn geen andere vernietigingsgronden gevonden. De zaak draait om de juiste toepassing van de maatstaf voor teruggave van beslag op geldbedragen in het kader van witwasverdenking.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbehandeling met toepassing van de juiste maatstaf voor teruggave van beslag.

Conclusie

Nr. 07/11939 B
Mr. Schipper
Zitting: 23 december 2008
Conclusie inzake:
[Klager]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen de beschikking van de Rechtbank te Haarlem, Enkelvoudige Kamer, van 26 april 2007 waarbij het beklag strekkende tot teruggave van inbeslaggenomen gelden aan klager ongegrond is verklaard.
2. Namens de verdachte heeft mr. T. den Haan, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste en/of verdergaande maatstaf heeft aangelegd, althans haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, en het klaagschrift ten onrechte ongegrond heeft verklaard.
4. Het ingediende klaagschrift strekt tot opheffing van het op de voet van art. 94 Sv Pro onder klager gelegde beslag met last tot teruggave aan de klager van een geldbedrag van € 10.900,- en 60 Zwitserse Francs.
5. De Rechtbank heeft in haar beschikking, voor zover van belang voor de bespreking van het middel, het volgende overwogen:
"Vaststaat dat bedoelde geldbedragen op 13 maart 2006 op rechtmatige wijze onder klager in beslag zijn genomen en dat het beslag nog voortduurt.
Namens klager is er, zakelijk weergegeven, onder meer op gewezen, dat:
- er geen verband is tussen het inbeslaggenomen geld en welk strafbaar gronddelict dan ook;
- het enkele feit dat hij in het bezit was van bovenstaand bedrag, niet kan betekenen dat hij reeds daarom een strafbaar feit heeft gepleegd;
- hij een valide verklaring heeft voor de herkomst van het geld;
- het geld komt uit legale bronnen uit Nigeria en was bedoeld door (lees: voor, Sch) de aanschaf van een vrachtauto;
- er dan ook geen reden is om het beslag nog langer te laten voortduren.
De officier van justitie heeft medegedeeld, dat klager ter zake van witwassen zal worden vervolgd en zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geld verbeurd zal verklaren.
De rechtbank is op grond van de thans voorhanden zijnde stukken en het verhandelende in raadkamer van oordeel, dat het Openbaar Ministerie de verdenking dat er met betrekking tot genoemde geldbedragen sprake is van witwassen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank dan ook niet van oordeel dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het geld verbeurd zal verklaren. Ook overigens is niet gebleken dat de handhaving van het beslag nog langer nodig is voor het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering inbeslagneming toestaat.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het klaagschrift desondanks ongegrond dient te worden verklaard, aangezien het redelijk en maatschappelijk niet verantwoord is de gelden aan klager terug te geven, nu hij - gelet op zijn verklaring dat de geldbedragen toebehoren aan zijn broer dan wel aan het familiebedrijf van zijn vader in Nigeria - niet buiten redelijke twijfel als rechthebbende op / eigenaar van de betrekkelijke geldbedragen kan worden aangemerkt."
6. Indien de Rechtbank - zoals hier - oordeelt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert, dient zij de teruggave van de inbeslaggenomen gelden te gelasten aan de klager, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die gelden moet worden beschouwd.(1)
7. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. Door vervolgens te overwegen dat "het redelijk en maatschappelijk niet verantwoord is de gelden aan klager terug te geven, nu hij - gelet op zijn verklaring dat de geldbedragen toebehoren aan zijn broer dan wel aan het familiebedrijf van zijn vader in Nigeria - niet buiten redelijke twijfel als rechthebbende op / eigenaar van de betrekkelijke geldbedragen kan worden aangemerkt", heeft de Rechtbank als maatstaf toegepast of de klager buiten redelijke twijfel als rechthebbende kan worden aangemerkt. Daarmee heeft de Rechtbank een andere dan de toepasselijke, en dus een onjuiste, maatstaf aangelegd.(2)
8. Het middel is terecht voorgesteld.
9. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank Haarlem opdat de zaak op het bestaande beklag opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 25 september 2001, NJ 2002, 109.
2 Vgl. o.m. HR 27 mei 2008, LJN BC7949 en HR 22 april 2008, LJN BC9955.