ECLI:NL:PHR:2009:BG9470
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verschoningsrecht mediator bij mediation en geheimhoudingsplicht
In deze zaak staat centraal de uitleg van een geheimhoudingsbeding in een mediationovereenkomst en de vraag of een mediator zich kan beroepen op een verschoningsrecht bij getuigenverhoor. De man en vrouw zijn gescheiden en hebben mediation gevoerd onder leiding van een mediator die tevens advocaat is. De mediator weigerde tijdens het getuigenverhoor te antwoorden op vragen over het totstandkomen van een vaststellingsovereenkomst, beroepend op de geheimhoudingsplicht uit de mediationovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat de mediator terecht een beroep deed op de geheimhoudingsplicht en niet als getuige hoefde te worden gehoord. De man stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de aard van bewijsovereenkomsten, het verschil tussen geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht, en de reikwijdte van het verschoningsrecht voor mediators.
De Hoge Raad stelt dat hoewel mediators contractueel een geheimhoudingsplicht kunnen hebben, dit niet automatisch leidt tot een verschoningsrecht zoals dat geldt voor advocaten of notarissen. Het verschoningsrecht is een wettelijke uitzondering op de getuigenplicht en kan niet contractueel worden toegekend. Bovendien geldt dat bij de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, ook advocaten en notarissen geen verschoningsrecht hebben, zodat een mediator dat evenmin kan hebben.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug. De uitspraak benadrukt het belang van de waarheidsvinding en beperkt de mogelijkheid voor mediators om zich op geheimhouding te beroepen in gerechtelijke procedures over het bestaan van overeenkomsten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug, waarbij een mediator zich niet kan beroepen op een verschoningsrecht bij het getuigenverhoor over het totstandkomen van een overeenkomst.