ECLI:NL:PHR:2009:BG9871
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over doorwerking EG-recht op valutavoordelen bij financiering van deelnemingen
De zaak betreft de fiscale aftrekbaarheid van rentekosten en de behandeling van valutavoordelen die voortkomen uit de financiering van een buitenlandse deelneming door een Nederlandse houdstermaatschappij. De belanghebbende hield een 20%-belang in een Engelse vennootschap en behaalde valutavoordelen op de leningen die de deelneming financierden. De Inspecteur had de rentekosten na saldering met de valutavoordelen toegelaten, maar de belanghebbende betwistte deze saldering.
Het Hof 's-Gravenhage oordeelde dat saldering in strijd was met de wet en gaf de belanghebbende gelijk, verwijzend naar een arrest uit 1977 dat valutavoordelen niet als kosten in de zin van de Wet Vpb kwalificeert. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het EG-recht slechts gelijke behandeling eist en dat valutavoordelen als kosten moeten worden gesaldeerd met rentekosten.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de verhouding tussen het nationale recht, het EG-recht en het legaliteitsbeginsel. Daarbij wordt geconcludeerd dat het EG-recht niet vereist dat valutavoordelen gunstiger worden behandeld dan in de interne situatie, en dat de nationale wetgeving die renteaftrek en valutavoordeelvrijstelling koppelt, niet in strijd is met het EG-recht. De keuze tussen verschillende interpretaties van de nationale wet blijft een zaak van nationaal recht. De Hoge Raad acht het legaliteitsbeginsel niet geschonden en bevestigt dat de nationale wetgeving buiten toepassing blijft voor de aftrekbeperking van kosten, maar niet voor de vrijstelling van valutavoordelen, mits gelijke behandeling wordt gewaarborgd.
Daarnaast wordt de procedurele kwestie van gedektverklaring van relatieve onbevoegdheid door het Hof besproken, waarbij de Hoge Raad aangeeft dat ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag, de goede procesorde kan rechtvaardigen dat aan de onbevoegdheid voorbij wordt gegaan. De conclusie is dat de cassatieberoepen gegrond zijn en dat de Hoge Raad de zaken kan afdoen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen gegrond en bevestigt dat saldering van valutavoordelen met rentekosten is toegestaan onder het nationale recht in overeenstemming met het EG-recht.