ECLI:NL:PHR:2009:BG9913
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw en nakoming
In deze zaak heeft verzoekster een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank en het hof hebben het verzoek afgewezen omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Tevens was onvoldoende aannemelijk dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan van de schulden onder controle heeft gekregen, mede vanwege haar psychische problemen en persoonlijke omstandigheden.
Verzoekster heeft in cassatie aangevoerd dat het hof de wet onjuist heeft uitgelegd door niet beide situaties van goede trouw (ten aanzien van ontstaan of onbetaald laten van schulden) afzonderlijk te beoordelen. Ook stelde zij dat het hof onvoldoende heeft getoetst aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro en dat het hof ten onrechte een toekomstgerichte prognose heeft gehanteerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de tekst en strekking van artikel 288 lid 1 Faillissementswet Pro een cumulatieve toets vereisen, waarbij goede trouw ten aanzien van zowel het ontstaan als het onbetaald laten van schulden moet worden aangetoond. Het hof heeft terecht geoordeeld dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij aan deze cumulatieve eisen voldoet. Ook is het oordeel van het hof dat verzoekster haar omstandigheden nog niet onder controle heeft, niet onbegrijpelijk. De klachten van verzoekster over de toepassing van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro en de prognose worden verworpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee de eerdere afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in stand blijft.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw en nakoming van verplichtingen.