ECLI:NL:PHR:2009:BH0045

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00769 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 3 EG-verordening nr. 1774/2002Art. 20 lid 1 EG-verordening nr. 1774/2002Art. 2 lid 1 sub a EG-verordening nr. 1774/2002Art. 2 lid 1 sub c EG-verordening nr. 1774/2002Art. 19 Landbouwwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen en gezondheidscertificaat bij verzending dierlijke bijproducten

De zaak betreft de verzending van dierlijke bijproducten, specifiek pluimveemest, van Nederland naar Duitsland zonder het vereiste gezondheidscertificaat, in strijd met artikel 8 lid 3 van Pro EG-verordening nr. 1774/2002. Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens medeplegen van overtreding van een voorschrift krachtens artikel 19 van Pro de Landbouwwet.

Verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze veroordeling en voerde meerdere middelen aan, waaronder een te ruime interpretatie van het begrip gezondheidscertificaat, het ontbreken van het vereiste zenden naar een andere lidstaat, en onjuiste toepassing van medeplegen. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde dat het gezondheidscertificaat betrekking moet hebben op de vervoerde producten en dat het certificaat zich van meet af aan bij het transport moet bevinden.

Het Hof had terecht geoordeeld dat het transport bestemd was voor Duitsland en dat verdachte bewust en nauw met medeverdachten had samengewerkt, waardoor medeplegen was bewezen. Wel werd de cassatie gegrond verklaard wegens overschrijding van de inzendtermijn van stukken bij de Hoge Raad, wat leidde tot strafvermindering. Het beroep werd verder verworpen.

Uitkomst: Veroordeling wegens medeplegen van verzending van mest zonder gezondheidscertificaat met strafvermindering wegens overschrijding inzendtermijn.

Conclusie

Nr. 08/00769 E
Mr. Knigge
Zitting: 13 januari 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, heeft verdachte bij arrest van 3 april 2007 wegens "medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 19 van Pro de Landbouwwet, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,- subsidiair dertig dagen hechtenis.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. A. Klaassen, advocaat te Veenendaal, zes middelen van cassatie voorgesteld.
4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 25 september 2003 in de gemeente Barneveld tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk dierlijke bijproducten, te weten (pluimvee)mest, in strijd met artikel 8, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft gezonden, aangezien die mest niet vergezeld ging van een gezondheidscertificaat."
5. Art. 8 lid 3 van Pro de in de bewezenverklaarde genoemde Verordening schrijft met betrekking tot de verzending van dierlijke bijproducten (waaronder ook mest valt(2)) naar andere lidstaten voor dat deze producten moeten "vergezeld gaan van een handelsdocument of, wanneer deze verordening dat voorschrijft, een gezondheidscertificaat". Art. 20 lid 1 Verordening Pro bepaalt voorts dat de lidstaten er onder meer op moeten toezien dat de in bijlage VIII genoemde dierlijke bijproducten slechts in de handel worden gebracht of uitgevoerd worden indien zij voldoen aan de in bijlage VIII vastgestelde specifieke eisen. Hoofdstuk III van genoemde bijlage VIII bevat blijkens het opschrift eisen voor mest, verwerkte mest en verwerkte producten van mest. Art. 2 sub c van Pro dit hoofdstuk (geplaatst onder "I. Niet verwerkte mest" sub "A. Handelsverkeer") bepaalt voor zover hier van belang dat "voor het handelsverkeer in niet verwerkte mest" als eis geldt: "de mest moet vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat waarvan het model is vastgesteld volgens de procedure van artikel 33, lid 2".
6. Het (impliciete) oordeel van het Hof dat in casu sprake was van handelsverkeer waarvoor de Verordening een gezondheidscertificaat voorschrijft (zodat in strijd met art. 8 lid 3 Verordening Pro wordt gehandeld als de mest niet vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat), wordt in de cassatiemiddelen niet bestreden.(3)
7. Het eerste middel klaagt dat het Hof een te ruime interpretatie heeft gegeven aan het begrip "gezondheidscertificaat" als bedoeld in art. 8 lid 3 van Pro EG-Verordening nr. 1744/2002.
8. Het middel komt op tegen de verwerping van een bij het Hof gevoerd verweer. Verweer en middel berusten op de opvatting dat gelet op de onduidelijke regelgeving gebruik kan worden gemaakt van een willekeurig certificaat dat niet op de te transporteren vracht betrekking heeft. Die opvatting is onjuist. Het voorschrift dat de uitgevoerde producten voorzien moeten zijn van een gezondheidscertificaat zou volslagen zinloos zijn als dat certificaat geen betrekking zou behoeven te hebben op die producten.
9. Het middel faalt.
10. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat aan het vereiste van "zenden naar een andere lidstaat" nog niet is voldaan indien het transport richting de grens wordt gezonden in afwachting van de definitieve bestemming.
11. Het Hof heeft dit verweer in het arrest gemotiveerd verworpen door diverse stukken en verklaringen aan te halen waaruit het heeft afgeleid dat de desbetreffende produkten Duitsland als bestemming hadden en dat dat ook bij de vervoerders bekend was. Het Hof heeft in het bijzonder niet aannemelijk geacht dat voor een binnenlandse bestemming zou worden gekozen als de vereiste documenten voor de bestemming Duitsland niet zouden afkomen. Tegen dat feitelijke en niet onbegrijpelijke oordeel (uit de verklaringen waarop het Hof zich baseert, blijkt dat alleen dan niet zou doorgereden worden naar Duitsland als de vrachtwagen zou worden gecontroleerd door de AID) komt het middel tevergeefs op. Het kennelijke oordeel van het Hof dat aldus sprake is van het verzenden als bedoeld in art. 8 van Pro de Verordening (EG) nr. 1774/2002 getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
12. Het middel faalt.
13. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat aan het vereiste van vergezellen als bedoeld in art. 8 van Pro de Verordening reeds (het middel luidt abusievelijk "niet reeds") is voldaan indien de chauffeur in staat is het gezondheidscertificaat "in bekwame tijd" aan een controlerend ambtenaar te overleggen.
14. Het Hof heeft dit verweer verworpen door te oordelen dat ten behoeve van een doelmatige handhaving het vereiste certificaat zich van meet af aan bij het transport dient te bevinden. Die uitleg van de Verordening - die strookt met de taalkundige betekenis van het begrip "vergezellen" - komt mij juist voor. Ik merk overigens nog op dat voor het Hof niet is aangevoerd dat de chauffeur in casu in staat was om bij controle het vereiste certificaat te produceren (zodat het transport in feite wel gedekt werd door een certificaat). Integendeel, aangevoerd is juist dat de RVV (Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees) weigerde een certificaat af te geven.
15. Het middel faalt.
16. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat niet (het middel heeft abusievelijk het woord "niet" weggelaten) voldaan is aan de voorwaarden voor medeplegen.
17. Het Hof heeft in een uitvoerige bewijsoverweging gemotiveerd waarom het van oordeel is "dat de verdachte zo bewust en nauw met zijn medeverdachten heeft samengewerkt, en ook zelf belangrijke uitvoeringshandelingen heeft verricht, met een eigen rol en een eigen verantwoordelijkheid waarvan hij zich bewust moet zijn geweest dat sprake is van medeplegen van de tenlastegelegde gedraging". Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Het middel beroept zich tevergeefs op hetgeen het Hof heeft vooropgesteld, namelijk dat ondersteunende handelingen bij de uitvoering ook medeplegen kunnen opleveren (waarop het Hof echter onmiddellijk liet volgen dat "alle verdachten een eigen zelfstandige en min of meer uitwisselbare en dragende rol hebben gespeeld"). Onjuist of onbegrijpelijk is ook dit niet. Dat het Hof in de strafmotivering heeft overwogen dat verdachte "een klein aandeel" had in het feit, noopt niet tot een andere conclusie. Het Hof zal - gezien de bewezenverklaring - hebben gedoeld op het (relatief kleine) aandeel dat de verdachte als medepleger had.
18. Het middel faalt.
19. Het vijfde middel klaagt dat het Hof ten onrechte bij de strafoplegging heeft betrokken dat de verdachte het beleid van de EG lidstaten terzake van volksgezondheid welbewust heeft doorkruist.
20. Ter toelichting verwijst de steller van het middel naar de hypothetische situatie dat België het land van bestemming zou zijn en dat in dat geval de certificaten wel waren uitgereikt. Daargelaten de vraag of deze verwijzing deugdelijk is, doet zij niet af aan hetgeen het Hof heeft overwogen. Het beleid bracht namelijk in elk geval mee dat voor vervoer naar Duitsland certificaten zijn vereist. Dat beleid is door verdachte doorkruist.
21. Het middel faalt.
22. Het zesde middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg. Daartoe is ook bij het Hof verweer gevoerd. Het Hof heeft dat verweer toereikend gemotiveerd verworpen. In zoverre faalt het middel.
23. Het middel slaagt evenwel voor zover het tevens betreft de klacht over schending van de inzendtermijn. Verdachte heeft op 16 april 2007 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 13 februari 2008 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent dat de inzendtermijn met bijna twee maanden is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
24. De middelen 1 tot en met 5 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
25. Ik heb overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen.
26. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de oplegging van straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (08/00846 E), [medeverdachte 2] (08/00847 E), [medeverdachte 3] (08/00849 E) en [medeverdachte 4] (08/00894 E), in welke zaken ik heden eveneens concludeer.
2 Zie de definitie in art. 2 lid 1 sub a Verordening Pro in verbinding met art. 5 Verordening Pro. Mest is aldus categorie-2 materiaal (zie art. 2 lid 1 sub c Verordening Pro).
3 De Rechtbank wees expliciet op Bijlage VIII, hoofdstuk III, onderdeel I.A.2.c (zie het verkorte vonnis, p. 6).