ECLI:NL:PHR:2009:BH0381
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking partneralimentatie na vertrek alimentatiegerechtigde uit Nederland
Partijen waren gehuwd zonder kinderen en de vrouw verzocht echtscheiding en boedelscheiding. De man vroeg partneralimentatie, welke door de rechtbank werd vastgesteld. De vrouw ging in hoger beroep tegen de alimentatie, waarna het hof de bijdrage aanpaste en uiteindelijk vanaf 15 januari 2008 op nihil stelde.
De man vertrok medio juli 2007 naar Kameroen om een machtiging tot voorlopig verblijf voor studie in Nederland aan te vragen. Het hof verdeelde de alimentatieperiode in twee: tot vertrek en na vertrek. Voor de periode tot vertrek stelde het hof de behoefte van de man vast op €620 netto per maand, rekening houdend met zijn eigen inkomsten. Voor de periode na vertrek kende het hof een beperkte bijdrage toe van zes maanden, op basis van redelijkheid en billijkheid.
De man stelde in cassatie dat het hof art. 1:157 lid 6 BW Pro had miskend, omdat de alimentatieplicht minimaal gelijk zou moeten zijn aan de huwelijksduur. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de alimentatie niet had beperkt in de zin van deze wetsbepaling, maar de uitkering had afgebouwd op basis van de behoefte en draagkracht. De keuze van de man om te studeren in plaats van inkomen te verwerven, en het ontbreken van voldoende onderbouwing van zijn behoeftigheid na vertrek, rechtvaardigden de beperking.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof zijn discretionaire bevoegdheid zorgvuldig had uitgeoefend en voldoende had gemotiveerd. De alimentatieplicht werd terecht beperkt en uiteindelijk beëindigd na een redelijke overgangsperiode.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de beperking en beëindiging van de partneralimentatie na vertrek van de man uit Nederland.