ECLI:NL:PHR:2009:BH0385
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkingen bewegingsvrijheid vrijwillig opgenomen patiënt en toepasselijkheid klachtenprocedure Wet Bopz
Betrokkene was vrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en werd beperkt in zijn bewegingsvrijheid voorafgaand aan een inbewaringstelling (IBS). De klacht over deze beperking werd door de klachtencommissie ongegrond verklaard, maar procedureel gegrond wegens protocolschending. De rechtbank verklaarde de klacht niet-ontvankelijk omdat art. 40 lid 3 Wet Pro Bopz niet van toepassing zou zijn op vrijwillig opgenomen patiënten, waardoor de klachtenprocedure van art. 41 Wet Pro Bopz niet openstaat.
De Hoge Raad bevestigt dat beperkingen van bewegingsvrijheid op grond van art. 40 lid 3 Wet Pro Bopz alleen kunnen worden toegepast op onvrijwillig opgenomen patiënten. Vrijwillig opgenomen patiënten kunnen alleen met hun toestemming worden beperkt. De klachtprocedure van art. 41 Wet Pro Bopz is daarom niet van toepassing op vrijwillig opgenomen patiënten die beperkt worden buiten de reikwijdte van art. 40 lid Pro 3.
Toch oordeelt de Hoge Raad dat de klachtencommissie de klacht had moeten behandelen als een klacht over het te vroeg toepassen van de bevoegdheid uit art. 40 lid 3 Wet Pro Bopz. De klachtencommissie had moeten constateren dat tot het moment van de inbewaringstelling geen bevoegdheid tot beperking bestond. De Hoge Raad vernietigt daarom de beslissing van de rechtbank en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar de rechtbank te 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring van de klacht en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.