ECLI:NL:PHR:2009:BH0507
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn bij weigering bloedproef
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid van negen maanden wegens het weigeren van een bloedproef na een verkeersongeval. De verdediging voerde aan dat niet de verdachte, maar zijn neef de bloedproef had geweigerd, en stelde een bewijsklacht in tegen de nadere bewijsoverweging van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aan de verklaring van de verbalisant en de ontkenning van de verdachte geloof hechtte, omdat er geen aanwijzingen waren dat de verbalisanten te kwader trouw hadden gehandeld. Tevens werd bevestigd dat de rechter in zijn bewijsmotivering feiten mag weergeven die niet direct uit bewijsmiddelen zijn afgeleid, mits dit ter onderbouwing van het oordeel gebeurt.
Een klacht over de nietigheid van het onderzoek omdat de griffier tijdelijk afwezig was, werd verworpen. De afwezigheid van de griffier was kort en het onderzoek werd niet voortgezet tijdens die afwezigheid. De verdediging maakte geen bezwaar en er was geen belangenschade. Tenslotte stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de straf werd verminderd, maar het beroep in cassatie werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verwerpt het cassatieberoep voor het overige.