ECLI:NL:PHR:2009:BH0529
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring van het recht tot strafvervolging wegens onverzekerd rijden en rijden zonder rijbewijs
In deze zaak werd verzoeker ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 18 oktober 2000 onverzekerd met een personenauto heeft gereden en op of omstreeks 19 december 2000 zonder geldig rijbewijs op de openbare weg heeft gereden.
De kantonrechter veroordeelde verzoeker bij verstek in 2002, waarna hoger beroep werd ingesteld. De dagvaarding voor het hoger beroep werd in 2003 betekend aan de griffier omdat de verblijfplaats van verzoeker onbekend was. Verzoeker verscheen niet op de terechtzitting in hoger beroep, waarna het hof hem in juli 2003 veroordeelde. Pas in 2007 werd de mededeling van het arrest van het hof aan verzoeker betekend en werd in cassatie beroep ingesteld.
De kern van het geschil betrof de verjaring van het recht tot strafvervolging. De Hoge Raad stelt vast dat tussen de betekening van de appeldagvaarding in juni 2003 en de volgende daad van vervolging in juni 2007 meer dan twee jaar is verstreken. Hierdoor was het recht tot vervolging volgens de oude verjaringsregels (art. 70 en Pro 72 Sr oud) reeds vervallen.
De Hoge Raad concludeert dat de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens verjaring. Dit leidt tot vernietiging van het arrest van het hof, behoudens voor zover het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van het recht tot strafvervolging.