ECLI:NL:PHR:2009:BH0608
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toerekening van kwade trouw van gemachtigde aan belastingplichtige bij navordering enkelvoudige belasting
Deze zaak betreft de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen voor de jaren 1999, 2000 en 2002, waarbij de centrale vraag is of kwade trouw van een gemachtigde aan de belastingplichtige kan worden toegerekend bij het ontbreken van een nieuw feit. Het Hof Amsterdam vernietigde de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen omdat het oordeelde dat de belastingplichtige zelf niet te kwader trouw was en zij niet hoefde te twijfelen aan de deskundigheid van haar gemachtigde.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte geen onderzoek had gedaan naar de kwade trouw van de gemachtigde en dat deze kwade trouw wel aan de belastingplichtige toegerekend moest worden. De Hoge Raad bevestigde dat navordering zonder nieuw feit alleen mogelijk is bij kwade trouw van de belastingplichtige zelf. Kwade trouw van de gemachtigde kan slechts worden toegerekend indien de belastingplichtige bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de fiscus onjuist geïnformeerd zou worden, of onvoldoende toezicht hield op de gemachtigde.
De Hoge Raad onderscheidt drie categorieën: (i) belastingplichtige is zelf te kwader trouw; (ii) belastingplichtige is niet te kwader trouw maar had reden tot twijfel en hield onvoldoende toezicht of maakte een verwijtbare keuze van gemachtigde; (iii) belastingplichtige is niet te kwader trouw en hoefde niet te twijfelen aan de gemachtigde. Alleen in de tweede categorie is toerekening van kwade trouw van de gemachtigde mogelijk. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het oordeel van het Hof.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard; de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen worden vernietigd wegens ontbreken van kwade trouw bij de belastingplichtige.