ECLI:NL:PHR:2009:BH0766
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verlengde huurrechten kantoorruimte na einde huurovereenkomst
Deze zaak betreft het geschil of eiseres aanspraak kan maken op verlengde of voortdurende huurrechten betreffende een kantoorruimte na het einde van de oorspronkelijke huurovereenkomst op 1 april 2004. Eiseres stelde dat partijen een verlengde of nieuwe huurovereenkomst waren overeengekomen, maar verweerster betwistte dit. Het hof heeft eiseres bewijs opgedragen van deze stelling, maar geoordeeld dat het bewijs niet was geleverd, waardoor de vordering werd afgewezen.
Eiseres stelde in cassatie drie klachten over het oordeel van het hof, waaronder dat het hof ten onrechte van het bestaan van een voortgezette huurovereenkomst zou zijn uitgegaan en dat het hof art. 7:230 BW Pro onjuist had toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de stellingen van eiseres onvoldoende waren onderbouwd en dat het hof niet vrij stond om art. 7:230 BW Pro toe te passen zonder dat partijen dit hadden aangevoerd of toegelicht.
De Hoge Raad concludeerde dat er voldoende aanwijzingen waren dat geen verlenging voor onbepaalde tijd had plaatsgevonden en dat de clausule van art. 7:230 BW Pro niet van toepassing was. De klachten van eiseres werden verworpen en het eindarrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat geen verlengde huurrechten bestonden na het einde van de huurovereenkomst.