ECLI:NL:PHR:2009:BH0766

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01150
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verlengde huurrechten kantoorruimte na einde huurovereenkomst

Deze zaak betreft het geschil of eiseres aanspraak kan maken op verlengde of voortdurende huurrechten betreffende een kantoorruimte na het einde van de oorspronkelijke huurovereenkomst op 1 april 2004. Eiseres stelde dat partijen een verlengde of nieuwe huurovereenkomst waren overeengekomen, maar verweerster betwistte dit. Het hof heeft eiseres bewijs opgedragen van deze stelling, maar geoordeeld dat het bewijs niet was geleverd, waardoor de vordering werd afgewezen.

Eiseres stelde in cassatie drie klachten over het oordeel van het hof, waaronder dat het hof ten onrechte van het bestaan van een voortgezette huurovereenkomst zou zijn uitgegaan en dat het hof art. 7:230 BW Pro onjuist had toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de stellingen van eiseres onvoldoende waren onderbouwd en dat het hof niet vrij stond om art. 7:230 BW Pro toe te passen zonder dat partijen dit hadden aangevoerd of toegelicht.

De Hoge Raad concludeerde dat er voldoende aanwijzingen waren dat geen verlenging voor onbepaalde tijd had plaatsgevonden en dat de clausule van art. 7:230 BW Pro niet van toepassing was. De klachten van eiseres werden verworpen en het eindarrest van het hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat geen verlengde huurrechten bestonden na het einde van de huurovereenkomst.

Conclusie

Zaaknr. 08/01150
Mr. Huydecoper
Zitting van 23 januari 2009
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerster]
Deze zaak komt volgens mij in aanmerking voor afdoening op de voet van art. 81 RO Pro; terwijl ook met een verkorte conclusie kan worden volstaan.
1. Het geschil betreft de vraag of de eiseres tot cassatie, [eiseres], met recht aanspraak maakt op verlengde of voortdurende huurrechten (betreffende een als kantoor verhuurde bedrijfsruimte in [plaats]) na 1 april 2004. Dat is de datum waarop, volgens een vaststelling van de rechter in de eerste aanleg, de aanvankelijk tussen partijen geldende huurovereenkomst was geëindigd. Ten betoge dat er inderdaad aanspraak op verlengde huurrechten bestond had [eiseres] zich erop beroepen dat partijen over een verlengde (of nieuwe) huurovereenkomst overeenstemming hadden bereikt. Omdat de verweerster in cassatie, [verweerster], dit tegensprak heeft het hof in een in cassatie mede bestreden tussenarrest, [eiseres] bewijs van deze stelling opgedragen. Bij het eindarrest is geoordeeld dat het bewijs niet was geleverd, met de voor de hand liggende uitkomst dat ook overigens ten nadele van [eiseres] werd beslist.
2. Namens [eiseres] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(1). [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. Van de kant van [eiseres] is afgezien van schriftelijke toelichting.
Bespreking van het middel
3. Ik maak uit het middel drie klachten op.
De eerste klacht, blijkend uit alinea's 1.1 en 1.2 van de cassatiedagvaarding, berust erop dat uit de daar aangehaalde overwegingen van het tussenarrest zou mogen worden afgeleid dat het hof, voorlopig oordelend, van het bestaan van een voortgezette huurovereenkomst is uitgegaan (wat dan, volgens het middel, tot gevolg zou (kunnen) hebben dat [verweerster] en niet [eiseres] met bewijs van de juistheid van haar standpunt had moeten worden belast).
4. Voor het uitgangspunt van deze klacht(en) ontbreekt feitelijke grondslag. De overwegingen uit het tussenarrest stellen buiten twijfel dat het hof [eiseres]'s stellingen betreffende een voortgezette/nieuwe huurovereenkomst als voldoende weersproken heeft aangemerkt, en ook geen aanleiding heeft gezien om uit de in de klacht bedoelde aanwijzingen voorlopige conclusies omtrent de juistheid van [eiseres]s stellingen te trekken. Tegen die achtergrond wordt vergeefs bezwaar gemaakt tegen de beslissing om [eiseres] bewijs op te dragen.
5. Alinea 1.3 van de cassatiedagvaarding wijst een aantal gegevens aan die ertoe zouden leiden dat 's hofs oordeel omtrent het aan [eiseres] opgedragen bewijs onbegrijpelijk zou zijn. Op mijn beurt begrijp ik de klacht niet. De bedoelde gegevens zijn in het geheel niet onverenigbaar met de verder door het hof ontwikkelde gedachtegang.
Ik denk overigens dat de onderhavige klacht voortbouwt op het misverstand waarop ook de klacht van de alinea's 1.1 en 1.2 berust; en dat de (tweede) klacht al daarom doel mist.
6. Als derde klacht, omschreven in de alinea's 1.4 en 1.5 van de cassatiedagvaarding, wordt aangevoerd dat het hof het bepaalde in art. 7:230 BW Pro zou hebben miskend. Daar staat - in mijn parafrase - dat wanneer na ommekomst van een huurovereenkomst het gebruik van het gehuurde met goedvinden van de verhuurder wordt voortgezet, behoudens blijk van andere bedoelingen ervan uit wordt gegaan dat een verlenging van de overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft plaatsgehad.
7. In dit geval lagen er in de stellingen van partijen over en weer talrijke aanwijzingen besloten dat géén verlenging voor onbepaalde tijd aan de orde was, en dat de clausulering die art. 7:230 BW Pro in dat opzicht inhoudt dus aan de orde was. ([Eiseres] stelde immers dat een nadere overeenkomst voor bepaalde tijd zou zijn aangegaan, terwijl [verweerster] dat weersprak, en erop wees dat zij, [verweerster], nadat [eiseres] voorstellen van haar kant voor een voortzetting van het gebruiksrecht voor een beperkte tijd niet had aanvaard, is overgegaan tot aanzegging van de ontruiming. Beide standpunten zijn niet te rijmen met een op goedvinden van de verhuurder berustende voortzetting voor onbepaalde tijd.)
8. Tegen die achtergrond zou, wilde het hof toepassing van art. 7:230 BW Pro in overweging hebben mogen nemen, er véél nadere toelichting (van de kant van de meest gerede partij, i.c.: [eiseres]) vereist zijn geweest die de mogelijke toepasselijkheid van die bepaling had kunnen verduidelijken.
Er wordt in cassatie niet aangevoerd dat in de feitelijke instanties überhaupt op mogelijke toepasselijkheid van art. 7:230 BW Pro is gewezen/gezinspeeld, en er wordt dus ook niet aangegeven met welke stellingen een beroep op die bepaling zou zijn onderbouwd. Ik heb in het dossier ook niets aangetroffen dat hiertoe zou hebben kunnen dienen.
Daarom zou het het hof niet vrij hebben gestaan, zich over deze mogelijkheid een oordeel te vormen; en daarom kan het het hof niet worden verweten, dat het dat niet heeft gedaan.
9. In alinea 1.6 van de cassatiedagvaarding - de enig overblijvende alinea - tref ik geen zelfstandige klacht aan.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Het eindarrest is van 16 oktober 2007. De cassatiedagvaarding is op 15 januari 2008 uitgebracht.