ECLI:NL:PHR:2009:BH1197
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige daad bij het verhinderen van meststorting op mestdepot manege
In deze civiele zaak stond centraal of eiseres onrechtmatig had gehandeld door verweerder de toegang tot het mestdepot van de manege te ontzeggen. Verweerder had sinds 1990 een persoonlijk recht om mest te storten op het mestdepot, een recht dat ook na overdracht van het perceel aan A en betrokkene 1 bleef bestaan. Eiseres nam in 1996 de dagelijkse leiding over de manege en sloot in april 2006 het mestdepot af, waardoor verweerder geen toegang meer had.
De rechtbank en het hof oordeelden dat eiseres onrechtmatig handelde omdat zij op de hoogte was van het recht van verweerder en het slepende conflict daaromtrent, en zij zich niet kon verschuilen achter het ontbreken van een contractuele verplichting. De overdracht van de manege aan eiseres en haar kennis van de situatie maakten dat zij de toegang niet mocht verhinderen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de cassatieklachten van eiseres. Het hof had terecht geoordeeld dat de handelwijze van eiseres in strijd was met de maatschappelijke zorgvuldigheid, ook al bestond er geen contractuele verplichting. De Hoge Raad benadrukte de bijzondere omstandigheden, waaronder de wetenschap van eiseres en de eerdere rechterlijke uitspraken die verweerder in het gelijk stelden. Daarmee werd het vonnis van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door verweerder de toegang tot het mestdepot te ontzeggen.