ECLI:NL:PHR:2009:BH1451
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt discretionaire bevoegdheid hof bij afwijzing ISD-maatregel
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens diefstal en verzocht om oplegging van een ISD-maatregel. Het hof wees dit verzoek af omdat er geen concreet behandelplan was en verdachte consequent medewerking weigerde aan rapportages en behandeling. Het hof oordeelde dat oplegging van de maatregel in dit geval zou neerkomen op langdurige detentie zonder zorg of begeleiding, en derhalve niet zinvol was.
De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in met het middel dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd door te eisen dat er concreet uitzicht moet zijn op behandeling en gedragsverandering. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste maatstaf heeft toegepast, maar een discretionaire belangenafweging heeft gemaakt waarbij het effect van de maatregel op de verdachte een relevant gezichtspunt is.
De Hoge Raad benadrukte dat het hof niet stelde dat behandeling en gedragsverandering noodzakelijke voorwaarden zijn, maar dat het in dit concrete geval oplegging van de maatregel niet zinvol achtte. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de afwijzing van de ISD-maatregel door het hof blijft in stand.