ECLI:NL:PHR:2009:BH1474

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12796 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak wegens fout bij berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Het Gerechtshof te Arnhem had het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde vastgesteld op €11.923 en deze verplicht tot betaling van dat bedrag aan de Staat. Namens de veroordeelde werd cassatie ingesteld tegen deze vaststelling.

De Hoge Raad constateerde dat het hof een rekenfout had gemaakt door 25% te nemen van €7.779 in plaats van van €7.628, waardoor het voordeel te hoog was vastgesteld. Hoewel het hof deze vergissing zelf had opgemerkt en geprobeerd te corrigeren in een aanvulling, was die wijziging niet rechtsgeldig.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het bedrag van €11.923 is vastgesteld en stelt het correcte bedrag van €11.885 vast. Tevens wijst de Hoge Raad op overschrijding van de redelijke termijn sinds het instellen van cassatie in november 2006, waardoor het te betalen bedrag aan de Staat verminderd moet worden. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het te hoog vastgestelde bedrag van €11.923 en het correcte bedrag van €11.885 wordt vastgesteld met vermindering wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

Nr. 07/12796
Mr. Vellinga
Zitting: 27 januari 2009
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft het door de veroordeelde wegens misdrijven verkregen voordeel vastgesteld op € 11.923, - en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
2. Namens de veroordeelde heeft mr. P.P. Verdoorn, advocaat te Apeldoorn, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof kennelijk een onjuist bedrag als uitgangspunt voor de berekening van het voordeel heeft gehanteerd. Het te ontnemen voordeel had niet op een bedrag van € 11.923, - maar op een bedrag van € 11.885, - dienen te worden vastgesteld.
4. Het middel constateert dit terecht: in de berekening van het voordeel ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde heeft het Hof per abuis 25% van € 7.779, - en niet van € 7.628, - genomen. Het geschatte ontnemingsbedrag en de betalingsverplichting zijn daardoor in de bestreden uitspraak te hoog vastgesteld.
5. Het Hof heeft , zoals blijkt uit de punten 3 en 7 van de aanvulling als bedoeld in art. 365a jo. 415 Sv, de vergissing zelf reeds opgemerkt en getracht heeft deze in die aanvulling te verbeteren. Deze wijziging van het te ontnemen bedrag in de aanvulling op de verkorte uitspraak is echter niet mogelijk.(1) De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.
6. Het middel slaagt.
7. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. De veroordeelde heeft op 28 november 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn is overschreden en het aan de Staat te betalen bedrag moet worden verminderd.
8. Gronden waarop de Hoge Raad overigens gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voor zover het Hof het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, op € 11.923, - heeft vastgesteld, en aan betrokkene de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van dit bedrag, alsmede dat de Hoge Raad het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal bepalen op een bedrag van € 11.885, - en, uitgaande van dit bedrag, het bedrag waartoe aan betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd zal verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie onder meer HR 23 januari 2001, NJ 2001, 182.