ECLI:NL:PHR:2009:BH1500
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van niet-ontvankelijkheid klaagster in beklag over conservatoir beslag en ontnemingsvordering
In deze zaak richt het cassatieberoep zich tegen een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam waarbij klaagster niet-ontvankelijk is verklaard in haar beklag tegen een conservatoir beslag en een ontnemingsvordering.
Klaagster stelde dat het Hof ten onrechte oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren, met name omdat haar zoon had verklaard dat hij onterecht had verklaard eigenaar te zijn van inbeslaggenomen goederen om de waarde daarvan in mindering te brengen op zijn boete. Het Hof achtte deze verklaring niet wezenlijk nieuw omdat deze al impliciet in het eerste klaagschrift was opgenomen en de Rechtbank Utrecht haar oordeel niet uitsluitend op de verklaring van de zoon had gebaseerd.
Daarnaast werd aangevoerd dat het feit dat de zoon inmiddels veroordeeld was, een nieuw feit zou zijn, maar dit werd door de Hoge Raad verworpen omdat klaagster zich hier niet op had beroepen bij het Hof. Ook de klacht dat het Hof een onjuist criterium hanteerde door te eisen dat feiten 'wezenlijk nieuw' moesten zijn, werd verworpen omdat dit criterium overeenkomt met de vereiste van relevante nieuwe feiten.
De Hoge Raad concludeert dat het middel faalt en bevestigt het oordeel van het Hof dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar beklag.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en klaagster blijft niet-ontvankelijk in haar beklag.