ECLI:NL:PHR:2009:BH1545

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13664
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 2 RvArt. 88 lid 4 RvArt. 179 lid 4 RvArt. 152 lid 2 RvArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijswaardering partijgetuige in civiel geschil over vergoeding huurafstand

In deze civiele zaak vorderde Ruimbaan BV als rechtsopvolger van Ekamij BV betaling van een vergoeding van ƒ 1.250.000,- voor het prijsgeven van huurrechten en een recht van eerste koop met betrekking tot een perceel grond. Het gerechtshof te 's-Gravenhage oordeelde dat Ruimbaan niet in het bewijs van haar stelling was geslaagd.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen de bewijswaardering van verklaringen van een partijgetuige en een andere getuige, waarbij werd betoogd dat het hof onjuist had geoordeeld over de inhoud en het gewicht van hun verklaringen. De Hoge Raad bevestigde dat de waardering van getuigenbewijs aan het hof als feitenrechter is voorbehouden en dat het hof de verklaringen van de partijgetuige terecht een beperkt gewicht had toegekend.

Ook de klacht dat het hof voorbij zou zijn gegaan aan wettelijke vereisten voor de totstandkoming van de overeenkomst werd verworpen wegens onvoldoende motivering. De conclusie van de procureur-generaal was tot verwerping van het cassatieberoep, hetgeen de Hoge Raad volgde.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Conclusie

Nr. 07/13664
Mr. D.W.F. Verkade
Zitting 30 januari 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
1. Ekamij BV
(hierna: Ekamij)
2. Ruimbaan BV
(hierna: Ruimbaan)
tegen:
Oegstgeester Grondbezit BV
(hierna: OGB)
(niet verschenen)
Deze zaak leent zich m.i. voor een verkorte conclusie.
1. Bij arrest van 16 augustus 2006 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage Ruimbaan toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij - als rechtsopvolger van Ekamij - jegens OGB recht heeft op betaling van f 1.250.000,- als overeengekomen vergoeding voor het prijsgeven door Ekamij van haar huurrechten en haar recht van eerste koop met betrekking tot het (zo genoemde) 'perceel H'.
2. Bij (eind-)arrest van 5 september 2007 oordeelde het hof in rov. 1.2 dat het Ruimbaan niet in het bewijs geslaagd acht. Dit oordeel is onderbouwd in rov. 1.3-1.5, waarnaar ik verwijs.
3. Het tijdig(1) ingestelde cassatieberoep keert zich met drie middelen tegen het eindarrest.
4. Middel I, gericht tegen rov. 1.3, berust deels op een onjuiste lezing. Het hof is (anders dan onder nr. 3 van het middel wordt betoogd) niet voorbijgegaan aan hetgeen getuige [getuige 1] heeft verklaard, maar heeft aan die verklaring een beperkt gewicht toegekend, omdat [getuige 1] als een partijgetuige moet worden aangemerkt (vgl. in dit verband art. 164 lid 2 Rv Pro; zie voorts art. 88 lid 4 en Pro 179 lid 4 Rv, en zie bijv. Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2006, p. 92).
Het hof heeft vervolgens de verklaringen van [getuige 1] nader beoordeeld. Wat betreft de inhoud daarvan klaagt het middel (onder nr. 4) dat het niet zo is dat [getuige 1] in eerste instantie ter comparitie anders heeft verklaard over hetgeen bij de notaris is gezegd over het fiscale aspect van de vergoeding van de huurafstand dan dat hij daarover als getuige heeft verklaard. De klacht faalt, omdat de waardering van het (getuigen)bewijs op grond van art. 152 lid 2 Rv Pro aan de feitenrechter is voorbehouden (vgl. ook bijv. Hugenholtz/Heemskerk, a.w., p. 86) en omdat de waardering niet onbegrijpelijk is, gelet op de door [getuige 1] afgelegde verklaringen. In het proces-verbaal van comparitie van partijen van 2 oktober 2002 is op blz. 2 onderaan als verklaring van [getuige 1] opgenomen: 'De fiscale kwestie van die vergoeding voor huurafstand is bij de notaris niet door mij, doch door [betrokkene 1] voor het eerst aangevoerd. (...)'. Blijkens het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 13 februari 2007, blad 4, heeft [getuige 1] verklaard: '(...) vraagt u mij of een van de partijen voor het ondertekenen van de akte ook nog iets heeft gezegd wat er op neer kwam dat er een fiscaal aspect aan het opnemen van de vergoeding ad. 1,25 miljoen zat. Dat is niet het geval geweest; geen van de partijen heeft is gezegd wat met een fiscaal aspect te maken had. (...)'. Het oordeel van het hof dat [getuige 1] hiermee in eerste instantie heeft verklaard dat het fiscale aspect van de vergoeding voor de huurafstand door [betrokkene 1] is aangevoerd, en als getuige heeft verklaard dat geen van partijen daarover iets heeft gezegd, is gelet op de verklaringen als zojuist geciteerd niet onbegrijpelijk en ruimschoots voldoende gemotiveerd.
Het betoog (onder nr. 5) dat [getuige 1] zowel ter comparitie als in het getuigenverhoor heeft verklaard dat de kwestie van de vergoeding van de huurafstand door [betrokkene 1] is aangevoerd, kan gelet op het voorgaande evenmin tot cassatie leiden.
5. Middel II klaagt (onder nr. 8) dat het hof in rov. 1.4 ten onrechte heeft overwogen dat de verklaring van [betrokkene 2] geen steun geeft aan de te bewijzen stelling, omdat uit de verklaring van deze getuige blijkt dat hij de door hem gegeven lezing van de akte niet heeft gebaseerd op uitlatingen van een der partijen of van notaris [de notaris]. Het middel dat niet duidelijk maakt welke rechtsregel het hof met dit oordeel geschonden zou hebben, voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen. Ten overvloede merk ik op dat het oordeel van het hof in overeenstemming is met art. 163 Rv Pro. De klachten (onder nrs. 9 t/m 12) zien eraan voorbij dat de waardering van het (getuigen)bewijs aan het hof als feitenrechter is voorbehouden (vgl. hiervoor onder 4). Het hof was niet gehouden steun te ontlenen aan de verklaring van [betrokkene 2]. Middel II faalt derhalve eveneens.
6. Middel III komt op tegen rov. 1.5 en klaagt dat het hof voorbijgegaan zou zijn aan de vereisten die door de wet of anderszins worden gesteld aan de totstandkoming van een overeenkomst. Het middel voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen nu het niet duidelijk maakt welke rechtsregel het hof geschonden zou hebben. Ook in de uitwerking van het middel (onder de nrs. 16 t/m 20), die ziet op de verrichtingen van de notaris en de verschillende betekenissen (uitleg) door partijen van art. 20 van Pro de overeenkomst kan ik geen klacht ontwaren die voldoet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen.
7. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 De cassatiedagvaarding is op 4 december 2007 uitgebracht.