ECLI:NL:PHR:2009:BH1635

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C07/147HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid verkoper wegens non-conformiteit voegmiddel in restauratiewerkzaamheden

In deze civiele zaak vordert Everpolish schadevergoeding van [eiseres] wegens het leveren van een voegmiddel dat niet voldeed aan de overeenkomst, met als gevolg loslatende voegen in natuurstenen vloeren bij restauratiewerkzaamheden in een crematorium. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof Amsterdam oordeelde dat sprake was van non-conformiteit conform art. 7:17 lid 2 BW Pro en veroordeelde [eiseres] tot schadevergoeding.

[Eiseres] stelde cassatieberoep in en voerde aan dat zij op grond van het arrest HR 5 januari 1968 (Fokker/Zentveld) niet aansprakelijk kon worden gehouden, omdat de schade niet in verhouding stond tot de prijs van het geleverde materiaal. Dit verweer werd door het hof niet als bevrijdend verweer aanvaard en bleef onbesproken omdat de rechtbank de vordering reeds op andere gronden had afgewezen.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel faalt bij gebrek aan belang, omdat het arrest Fokker/Zentveld betrekking heeft op een andere rechtsvraag dan hier aan de orde is. Het hof heeft het verweer terecht niet als bevrijdend verweer aangemerkt en het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak is geschikt voor een verkorte conclusie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van [eiseres] wordt verworpen en zij blijft aansprakelijk voor de schade wegens non-conformiteit van het voegmiddel.

Conclusie

Rolnummer C07/147HR
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Zitting 19 december 2008
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
Everpolish B.V.
Inleiding
1. De onderhavige zaak betreft de vordering van thans verweerster in cassatie (verder: Everpolish) tegen thans eiseres tot cassatie (verder: [eiseres]) tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat het voegmiddel dat zij van [eiseres] heeft betrokken in verband met de restauratiewerkzaamheden die zij als onderaannemer aan enkele natuurstenen vloeren in de aula's van een crematorium moest verrichten, van ontoereikende kwaliteit was, met als gevolg dat de voegen in de vloeren loslieten en zij aansprakelijk werd gesteld door haar opdrachtgever. De rechtbank te Utrecht heeft de vordering van Everpolish afgewezen. Bij arrest van 11 januari 2007 heeft het gerechtshof te Amsterdam - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat het door [eiseres] geleverde voegmiddel niet de eigenschappen bezat die Everpolish op grond van de overeenkomst mocht verwachten, zodat sprake is van non-conformiteit in de zin van art. 7:17 lid 2 BW Pro en [eiseres] als verkoper aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Het hof heeft [eiseres] alsnog veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2. [Eiseres] heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Everpolish heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna [eiseres] nog heeft gerepliceerd.
3. De in het cassatiemiddel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. Deze zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
Het cassatiemiddel
4. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zijn arrest onvoldoende heeft gemotiveerd en ook de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend doordat het hof een "bevrijdend verweer" dat [eiseres] in eerste aanleg heeft gevoerd en dat de rechtbank buiten beschouwing heeft gelaten daar zij de vordering op andere grond reeds afwees, in hoger beroep geheel onbesproken heeft gelaten. Het middel wijst - onder vermelding van de desbetreffende passages in de gedingstukken - op het door [eiseres] in eerste aanleg gevoerde en in hoger beroep bovendien nog eens expliciet herhaalde verweer dat zij ([eiseres]) op grond van het arrest "Fokker/Zentveld" (HR 5 januari 1968, NJ 1968, 102 m.nt. GJS ("het vliegtuigvleugelarrest") "naar de aard van de gestelde overeenkomst, de verkeersopvattingen en de redelijkheid en billijkheid niet aansprakelijk is voor de gestelde schade" nu de gestelde schade (Everpolish heeft voor een bedrag van € 50.000,- beslag doen leggen op de bankrekening van [eiseres]) niet in verhouding staat tot de prijs van het door [eiseres] geleverde materiaal (factuurwaarde € 319,95) (conclusie van antwoord in conventie, sub 12; conclusie van dupliek, sub 8; memorie van antwoord, sub 13 (p. 14-15)). Het middel betoogt dat het hof dit verweer heeft moeten begrijpen als een "bevrijdend verweer".
5. Het middel faalt bij gebrek aan belang aangezien het door het middel bedoelde betoog dat [eiseres] gelet op het arrest van uw Raad van 5 januari 1968, NJ 1968, 102 m.nt. GJS niet aansprakelijk kan worden gehouden, hoe dan ook niet kan slagen omdat dat arrest betrekking heeft op een andere vraag dan hier aan de orde. Dat arrest ziet op de vraag of de schuldenaar van een resultaatsverbintenis aansprakelijk is voor schade die is veroorzaakt door voor de uitvoering van die verbintenis gebruikte zaken, terwijl het in de onderhavige zaak - in cassatie onbestreden - gaat om aansprakelijkheid van de verkoper wegens non-conformiteit.
Terzijde merk ik op dat het hof terecht en in cassatie onbestreden heeft overwogen dat de door [eiseres] opgeworpen verweren met betrekking tot de hoogte van de schade niet bevrijdend zijn, doch in de schadestaatprocedure aan bod zullen kunnen komen (eerste rov. 3.4.7).
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden