ECLI:NL:PHR:2009:BH1983
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontheffing moeder uit ouderlijk gezag en benoeming gezinsvoogd bevestigd door Hoge Raad
De moeder stelde cassatie in tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam die de ontheffing van haar ouderlijk gezag over haar minderjarige kind bevestigde en de benoeming van een gezinsvoogd beval. Het hof had het hoger beroep van de moeder afgewezen en de eerdere beschikking van de rechtbank Utrecht bekrachtigd.
De moeder voerde drie middelen aan, waaronder dat het hof onjuist had geoordeeld over haar ongeschiktheid en het ontbreken van perspectief op terugplaatsing, en dat de getroffen maatregelen onvoldoende waren om de dreiging voor het kind af te wenden. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden omdat het hof als feitenrechter een waardering had gemaakt die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst.
De motivering van het hof was voldoende en begrijpelijk, en het hof was niet verplicht om te motiveren waarom het ene rapport meer gewicht kreeg dan het andere. Ook de klacht over de maatregelen faalde omdat het hof een juiste feitenwaardering had gemaakt. Het derde middel faalde wegens gebrek aan belang.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af met toepassing van artikel 81 RO Pro, waarmee het vonnis van het hof definitief bleef staan en de moeder ontheven werd uit het ouderlijk gezag met benoeming van een gezinsvoogd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder werd verworpen en het hofbesluit tot ontheffing uit het ouderlijk gezag en benoeming van een gezinsvoogd bleef in stand.