ECLI:NL:PHR:2009:BH1983

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04906
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontheffing moeder uit ouderlijk gezag en benoeming gezinsvoogd bevestigd door Hoge Raad

De moeder stelde cassatie in tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam die de ontheffing van haar ouderlijk gezag over haar minderjarige kind bevestigde en de benoeming van een gezinsvoogd beval. Het hof had het hoger beroep van de moeder afgewezen en de eerdere beschikking van de rechtbank Utrecht bekrachtigd.

De moeder voerde drie middelen aan, waaronder dat het hof onjuist had geoordeeld over haar ongeschiktheid en het ontbreken van perspectief op terugplaatsing, en dat de getroffen maatregelen onvoldoende waren om de dreiging voor het kind af te wenden. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden omdat het hof als feitenrechter een waardering had gemaakt die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst.

De motivering van het hof was voldoende en begrijpelijk, en het hof was niet verplicht om te motiveren waarom het ene rapport meer gewicht kreeg dan het andere. Ook de klacht over de maatregelen faalde omdat het hof een juiste feitenwaardering had gemaakt. Het derde middel faalde wegens gebrek aan belang.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af met toepassing van artikel 81 RO Pro, waarmee het vonnis van het hof definitief bleef staan en de moeder ontheven werd uit het ouderlijk gezag met benoeming van een gezinsvoogd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder werd verworpen en het hofbesluit tot ontheffing uit het ouderlijk gezag en benoeming van een gezinsvoogd bleef in stand.

Conclusie

08/04906
Mr L. Strikwerda
Parket, 30 jan. 2009
conclusie inzake
[De moeder]
tegen
De Raad voor de Kinderbescherming, regio Utrecht, locatie Utrecht
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoekster tot cassatie, hierna: de moeder, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 26 augustus 2008. Bij deze beschikking heeft het hof op het hoger beroep van de moeder de beschikking van de rechtbank Utrecht van 19 september 2007 bekrachtigd, waarbij de moeder op verzoek van verweerder in cassatie, hierna: de Raad voor de Kinderbescherming, is ontheven van het gezag over de minderjarige [het kind], hierna: [het kind], en de Stichting Bureau Jeugdzorg, afd. Jeugdbescherming, gevestigd te Utrecht, is benoemd tot voogdes over [het kind].
2. Het cassatieberoep berust op drie middelen.
3. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
4. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
5. Middel I bestrijdt als onjuist en onbegrijpelijk het oordeel van het hof - in r.o. 4.3 - dat voldoende is gebleken dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [het kind] te vervullen en dat voldoende is komen vast te staan dat het perspectief op terugplaatsing van [het kind] bij de moeder ontbreekt.
6. De rechtsklacht faalt omdat het bestreden oordeel berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden waardering van ten processe gebleken feiten en omstandigheden, die in cassatie op juistheid niet kan worden getoetst. De motiveringsklacht faalt omdat het oordeel van het hof in het licht van de inhoud van het in r.o. 4.3 van de beschikking van het hof bedoelde rapport niet onbegrijpelijk is. Het hof was niet gehouden te motiveren waarom het meer waarde heeft gehecht aan dit rapport dan aan het door het middel bedoelde rapport uit 2005.
7. Middel II bestrijdt als onjuist en als onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof - in r.o. 4.4 - dat de getroffen maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn gebleken om de dreiging dat [het kind] zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen dan wel zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd, af te wenden.
8. Ook hier faalt de rechtsklacht omdat het bestreden oordeel berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden waardering van ten processe gebleken feiten en omstandigheden, die in cassatie op juistheid niet kan worden getoetst. De motiveringsklacht faalt omdat zij berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. De overweging van het hof dat de moeder in februari 2006 met de uithuisplaatsing van [het kind] heeft ingestemd en dat zij heeft nagelaten om dit aan [het kind] mede te delen, vormt niet de onderbouwing van het oordeel dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende zijn gebleken om de dreiging dat [het kind] zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd af te wenden, maar van het oordeel dat de instemming van de moeder met permanente uithuisplaatsing van [het kind] wankel is te noemen.
9. Middel III faalt wegens gebrek aan belang. De beslissing van het hof zou, indien wordt uitgegaan van de door het middel bedoelde datum, niet anders hebben geluid.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,