ECLI:NL:PHR:2009:BH2413
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert voorwaardelijke straf na schending privacyrechten door onrechtmatige telefoontap
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een veroordeling door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens het afleggen van valse getuigenverklaringen en het beïnvloeden van getuigen. De herzieningsaanvraag is gebaseerd op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin werd vastgesteld dat het opnemen van telefoongesprekken met behulp van door de politie verstrekte opnameapparatuur een schending van artikel 8 EVRM Pro (recht op privacy) opleverde.
De Hoge Raad oordeelt dat de aanvraag binnen de wettelijke termijn is ingediend en dat de geconstateerde schending van artikel 8 EVRM Pro aanleiding geeft tot herziening met het oog op rechtsherstel. De primaire klacht van de aanvrager, dat de zaak zelf door de Hoge Raad moet worden afgedaan met vrijspraak, wordt afgewezen omdat het bewijs slechts in beperkte mate gebaseerd is op de onrechtmatig verkregen opnames en de overige verklaringen van de getuige voldoende betrouwbaar en onafhankelijk zijn.
De Hoge Raad stelt vast dat de schending van artikel 8 EVRM Pro vooral betrekking heeft op de kwaliteit van de Nederlandse wetgeving omtrent de opsporingsmethode en niet automatisch leidt tot bewijsuitsluiting. De inhoud van de opgenomen telefoongesprekken is slechts van ondergeschikte betekenis voor het bewijs. De Hoge Raad besluit daarom de zaak zelf af te doen en de voorwaardelijke gevangenisstraf te verminderen in het kader van rechtsherstel, zonder de straf geheel te laten vervallen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf wegens schending van artikel 8 EVRM zonder vrijspraak.