ECLI:NL:PHR:2009:BH2958
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid bewindvoerder tot cassatieberoep bij tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling
In deze zaak staat centraal de vraag of een bewindvoerder bevoegd is om beroep in cassatie in te stellen tegen een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 van Pro de Faillissementswet. De rechtbank had de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd wegens toerekenbare tekortkoming van de schuldenaar, en daarbij aangenomen dat de schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement verkeert zodra de beslissing onherroepelijk wordt. Het hof vernietigde dit deel van het vonnis vanwege het ontbreken van voldoende baten om schuldeisers te voldoen.
De Hoge Raad benadrukt dat op grond van artikel 351 lid 5 Faillissementswet Pro alleen de in het ongelijk gestelde partij cassatieberoep kan instellen. De bewindvoerder wordt in dit geval niet als zodanig aangemerkt, omdat hij niet het standpunt heeft verdedigd dat er voldoende baten zijn. Daarnaast is art. 360 Faillissementswet Pro van toepassing, die een gesloten stelsel kent voor hoger beroep en cassatie in insolventiezaken.
De Hoge Raad bespreekt ook inhoudelijk het cassatiemiddel, waarin de bewindvoerder stelt dat het hof ten onrechte oordeelde dat er onvoldoende baten zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, gelet op de feiten en het debat in de lagere instanties. De conclusie is dat de bewindvoerder niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep en dat het middel faalt voor zover inhoudelijk beoordeeld.
Uitkomst: De bewindvoerder is niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep tegen de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.