1 Zie de rov. 1-3 van het arrest van het hof 's-Gravenhage van 8 april 2004, in samenhang met de rov. 1.1-1.7 van het vonnis van de rechtbank Middelburg van 10 mei 2000.
2 Bij inleidende dagvaarding heeft [verweerster] betaling van in totaal ƒ 307.726,89 (€ 139.640,37) gevorderd. Zie voor een specificatie p. 15/16 van de inleidende dagvaarding. Nadat [eiseres] bij conclusie van antwoord (onder 36-39) het meerwerk tot een bedrag van ƒ 34.727,- (€ 15.758,43) had erkend, heeft [verweerster] dit bedrag bij haar geïncasseerd en op de vordering in mindering gebracht. Zie de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende verandering van eis van [verweerster], onder 29.
3 Aan het slot van de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende verandering van eis wordt op vergoeding van de contractuele rente met ingang van 29 juli 1996 aanspraak gemaakt, terwijl het petitum van de inleidende dagvaarding als ingangsdatum nog 20 juli 1996 noemde.
4 Prod. 5 bij de conclusie van eis tevens houdende overlegging producties.
5 Aldus de inleidende dagvaarding onder 12/13; zie ook de akte van depot van 25 mei 1998. De bedoelde ordnermap bevindt zich niet in de door partijen overgelegde procesdossiers.
6 [Eiseres] heeft de oorspronkelijke vordering tot een bedrag van ƒ 34.727,- erkend; zie hiervóór voetnoot 2.
7 Zie rov. 2.4 van het vonnis van 10 mei 2000.
8 Prod. 1 bij de conclusie na deskundigenbericht tevens houdende verandering van eis.
9 Art. 10.1-2 van de Metaalunievoorwaarden (versie 1 september 1993) luidt als volgt:
"10.1 Alle wijzigingen in het aangenomen werk, hetzij door bijzondere opdracht van opdrachtgever, hetzij als gevolg van wijziging in het ontwerp of veroorzaakt doordat de verstrekte gegevens niet overeenstemmen met de werkelijke uitvoering van de bouw, of doordat van geschatte hoeveelheden wordt afgeweken, behoren wanneer daaruit meerdere kosten ontstaan, beschouwd te worden als meerwerk, en voor zover daaruit minder kosten ontstaan als minderwerk.
10.2 Meerwerk zal worden berekend op basis van de prijsbepalende faktoren die gelden op het moment dat het meerwerk wordt verricht. Minderwerk zal worden verrekend op basis van de bij het sluiten van de overeenkomst geldende prijsbepalende faktoren."
Een exemplaar van deze algemene voorwaarden is door [verweerster] als prod. 1 bij de memorie van antwoord overgelegd. De rechtbank heeft art. 10.1-2 in rov. 1.3 van het vonnis van 10 mei 2000 geciteerd.
10 Zie voetnoot 9.
11 De grieven zijn als 1-9 genummerd, maar de eerste grief is in de grieven 1a en 1b onderverdeeld; zie ook het tussenarrest van het hof 's-Gravenhage van 18 april 2002, onder "Het geding".
12 Prod. 3 bij de memorie van antwoord na deskundigenbericht.
13 Prod.1 bij de akte uitlating producties van 24 november 2005.
14 Prod. 2 bij de akte uitlating producties van 24 november 2005.
15 De cassatiedagvaarding is op 5 juli 2007 betekend; het eindarrest is op 19 april 2007 gewezen.
16 Op een zeker verband tussen het litigieuze tekenwerk en meerwerk in de zin van art. 10.1 van de Metaalunievoorwaarden wijzen ook de als prod. 2 en prod. 3 bij de conclusie van antwoord gevoegde overzichten, waaruit blijkt dat [eiseres] in bepaalde gevallen wel het staalwerk als meerwerk heeft geaccepteerd, maar niet het bij dezelfde nota in rekening gebrachte en kennelijk met dat staalwerk verband houdende tekenwerk. Overigens bevatten die beide overzichten als algemene kanttekening "tekenwerk niet in overweging genomen".
17 Zie over het bevrijdende verweer M.J. Schenck, Rondom de hoofdregel van stelplicht en bewijslastverdeling, in: Heer en meester (2004), p. 75-87, W.D.H. Asser in: Burgerlijk procesrecht praktisch belicht (M.L. Hendrikse en A.W. Jongbloed red.; 2007), nr. 9.3.5.1, H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht (2007), nr. 207, A.S. Rueb en P.A. Stein, Compendium van het burgerlijk procesrecht (2007), nr. 7.2.1, H.W. Wiersma, Het bevrijdend verweer, JBPr. 2008, p. 3-8, H.L.G. Wieten, Bewijs (2008), p. 23.
18 Zie de memorie van antwoord onder 35 en de akte na comparitie van partijen van 24 oktober 2002, onder 7.
19 HR 25 april 2008, NJ 2008, 553, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.3.
20 Prod. 6 bij de memorie van grieven.
21 Het onderdeel doelt, naar ik aanneem, op rov. 13 van het arrest van 18 mei 2006.
22 Zie W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling (2004), p. 113, in fine.
23 HR 8 april 1994, NJ 1994, 550, rov. 3.5.